Er mag best iets mis gaan

Een groeiend aantal amateurs is wekelijks met opera bezig. Ze zijn goedkoop, enthousiast en gewillig. Ze zorgen zelfs voor hun eigen publiek.

`DIE KUNST, es ist die Kúúúnst!'' In een repetitielokaaltje in de Amsterdamse Czaar Peterbuurt klinkt vierstemmig gezang met pianobegeleiding. Het koffieapparaat pruttelt, langs de wanden staan plastic zakken met kostuums. Een 24-koppig amateurkoor oefent voor de opera Turandot van Ferruccio Busoni, uit te voeren in september. De solisten, professionele zangers, en het orkest komen er pas later bij.

Door het hele land zwoegen amateurzangers wekelijks op hun partijen. Tenminste twintig tot dertig verenigingen en stichtingen houden zich bezig met opera buiten het gevestigde circuit. Het Gelders opera- en operettegezelschap in Arnhem bijvoorbeeld bereidt La Sonnambula van Bellini voor, het studentengezelschap Crea in Amsterdam buigt zich over Berlioz' De verdoemenis van Faust.

Sommige initiatieven sterven na korte tijd een zachte dood, maar dat neemt niet weg dat opera lééft. Ook onder jongeren, zegt Hans Lamers van de Bond van Amateur Opera- en Operettegezelschappen (BOOG) in Utrecht, waarbij honderdveertig verenigingen zijn aangesloten. ,,Je hoeft op school niet meer met een rode kop onder de bank te kruipen als je zegt dat je aan opera doet. Het is niet stoffig en vergrijsd. Er gebeuren leuke dingen. Er waait in Muziektheaterland een nieuwe wind met nieuw, divers repertoire.''

Regisseuse Claudia Christern en dirigent Benoît Debrock hebben vorig jaar na een reeks geslaagde producties de Stichting Minora in Amsterdam opgericht. Daarin is plaats voor beroeps en amateurs. Ze produceren 20ste-eeuwse opera's met een koor van amateurs en brengen met jong beroepstalent veelal vrolijke 18de-eeuwse `mini-opera's' op feesten, banketten en scholen. Deze maand zingen professionele leden van het gezelschap in Noordwijk in het kader van het festival Opera aan Zee, een jaarlijks terugkerend particulier initiatief van lokale operaliefhebbers. De zangers zullen onder meer vanaf balkons in het dorp het publiek toezingen, uiteraard met aria's uit beroemde balkonscènes.

,,Ik wil kleine professionele producties doen, maar daarnaast ook blijven werken met het enthousiasme en de uitstraling van mensen die voor hun lol zingen'', zegt Claudia Christern. ,,We willen met Minora elk jaar afwisselend kleine en grote eenakters doen met beroepssolisten en amateurkoor en af en toe een goede amateur in een rol. Er zijn veel leuke, korte opera's die de grote gezelschappen niet brengen, omdat ze niet avondvullend zijn.'' Dit jaar is dat Busoni's Turandot uit 1917, dat volgens de uitgever voor het eerst in Nederland wordt vertoond. Er doen ongeveer honderd mensen mee, onder wie een orkest van bijna zeventig musici – ook amateurs én profs.

Een productie van enig niveau kan bijna niet met alleen amateurs, daarvoor stelt opera te hoge eisen aan de combinatie van zangtechniek en acteertalent, aan muzikale en artistieke begeleiding. Andersom maakt ook de vakwereld gebruik van amateurs. Het koor van Opera Ahoy' in Rotterdam kan niet bestaan zonder de medewerking van amateurs en semiprofessionals en ook Opera Zuid werkt met conservatoriumstudenten als koorleden.

De Stichting Samenwerkende Nederlandse Korenorganisaties in Utrecht organiseert cursussen voor amateursolisten, die veel bij opera- en operetteverenigingen optreden. Daar komen volgens Lamers, die daar ook lesgeeft, uitstekende zangers met privé-les of een onvoltooide conservatoriumopleiding op af. Maar voor bepaalde rollen zijn toch altijd beroepskrachten nodig. ,,De kunst is goede jonge solisten aan te trekken die op het punt staan als zanger door te breken'', zegt Christern. ,,Zij kunnen zo podiumervaring opdoen en voor ons zijn ze nog betaalbaar.''

Aangenaam van amateurs is dat ze niets kosten en enthousiast zijn. Nadeel is de lange voorbereidingstijd. Maandenlang moet er wekelijks worden gerepeteerd. Wat er de ene week is ingestampt, moet de volgende week worden herhaald, omdat het dan weer is weggezakt. ,,Maar het voordeel is dat amateurs dingen doen die je van beroeps niet kunt vragen. Beroeps eisen veel ruimte, een goede lessenaarverlichting, anders spelen ze niet. Amateurs kun je vragen hun eigen kostuums op te vouwen, of met decors te sjouwen'', zegt Camile Boyer, productieleider bij De verdoemenis van Faust. Het is de tweede opera van het Crea Grootkoor en Crea Orkest van de Universiteit van Amsterdam. De opera, met veel koorwerk en met de Belgische tenor Ludwig van Gijsegem in de hoofdrol, wordt in juli opgevoerd in een nieuwe Nederlandse vertaling. Koor en orkest bestaan elk uit 80 tot 85 studenten aangevuld met geschoolde krachten.

Het prettige van amateurs is ook dat ze een eigen publiek meenemen. Christern: ,,Het is moeilijk om publiek te trekken als je minder populaire stukken uitvoert. Zelfs de Reisopera heeft daar last van, ondanks de uitgebreide pr. Ik probeer een ook nieuw publiek aan te boren. Amateurs brengen familie en vrienden mee die anders misschien nooit naar opera zouden gaan. Het blijkt dat mensen, in deze tijd van technisch perfectionisme, een live optreden waarderen. Ze zien hoe mensen ervoor knokken, ze zien de zweetdruppels op de gezichten. Er mag ook best iets mis gaan, dat heeft soms juist iets aandoenlijks.''

Opera mag `in' zijn, het blijft voor amateurproducenten schrapen om de financiën rond te krijgen, ondanks de inzet van vrijwilligers. Verenigingen krijgen steeds minder subsidie. De opbrengst van de kaartverkoop is niet genoeg. Een beetje operaproductie kost op zijn minst een ton. ,,Een semiprofessioneel orkest van 35 man komt al op 20.000 tot 25.000 gulden per voorstelling. Je moet een theater huren, dirigent, productieleider en regisseur betalen en dan blijft er nog een schamel bedrag over voor decor en kostuums'', zegt Lamers. ,,Muziektheater kost nu eenmaal geld. Je slaat achterover als je de bedragen van professionele gezelschappen hoort.''

Wie amateuropera op niveau wil maken, valt merkwaardig genoeg bij subsidiegevers tussen wal en schip. Fondsen voor amateurkunst dragen niet of nauwelijks bij aan goede producties met beroepskrachten, omdat het niet in hun amateuristische doelstelling past, maar wie bij de grote overheidsfondsen voor de podiumkunsten aanklopt krijgt nul op het rekest, omdat het niet professioneel genoeg is. Wie het goed doet, prijst zichzelf uit de markt. Wie het slecht doet, hoeft ook op niets meer te rekenen.

De realiteit van de subsidies staat haaks op de ontwikkelingen in muziektheaterland. De producties van De Nederlandse Opera in het Muziektheater, maar ook de megamusicals van Joop van den Ende hebben hun weerslag gehad op de publieke belangstelling. Koren hebben niet veel moeite meer om leden te krijgen, musicalopleidingen lopen vol. Zelfs de allerjongsten kunnen steeds vaker met `opera' kennismaken. Theater Vandenbulck in Den Bosch maakt aantrekkelijke producties voor kinderen vanaf drie jaar. Acteur Frank Groothoff brengt bewerkte voorstellingen. Purcells King Arthur van Huis aan de Amstel mikt in het Holland Festival op een jeugdig publiek.

Ook Lamers constateert een groeiende belangstelling van jongeren voor muziektheater. Vooral de combinatie zingen en bewegen is in trek, ,,misschien omdat ze dat op de televisie zien.'' De musical is het populairst onder jongeren, maar ook opera en zelfs operette staan aan de vooravond van een glorieuze come-back, voorspelt Lamers. ,,Jonge mensen vinden zelfs Léhar en Strauss weer leuk. Niet in de suikerzoete enscenering zoals vroeger, maar in een nieuw jasje. Ik geef werkweekeinden met operetterepertoire en daar komen 20-jarigen op af. Het wordt ook multicultureler. Het wachten is nu op nog wat meer ondersteuning van staatssecretaris Van der Ploeg.''