Dwarse bescheidenheid

Een bouwvakker noemde de dinsdag overleden architect Piet Blom zichzelf eens. Het is een kwalificatie die duidt op bescheidenheid. Als medewerker op het bureau Knijtijzer had Blom aan het einde van de jaren vijftig een hekel gekregen aan de modernistische woningbouw, die Nederland na de Tweede Wereldoorlog overspoelde. Megalomaan, anoniem en desolaat vond hij de nieuwe wijken.

Hoe het anders kon, leerde hij begin jaren zestig in de avonduren op de Amsterdamse Academie van Bouwkunst van zijn onlangs overleden leermeester Aldo van Eyck: grote gebouwen en woonwijken moesten worden opgebouwd uit kleinere elementen, zodat de schaal nooit onmenselijk werd. Blom paste dit beginsel bijvoorbeeld toe in zijn ontwerp voor een `kinderdorp' waarvoor hij in 1962 de de Prix de Rome kreeg.

Ook in de Jordaan, de oude Amsterdamse volkswijk waar hij als zoon van een groenteboer was geboren en getogen, had hij gezien hoe het anders kon. Stedelijke functies als wonen, werken en recreëren moesten niet van elkaar worden gescheiden, maar, net als in de Jordaan, met elkaar worden vermengd, vond Blom.

Het gebouwde oeuvre van Blom is klein. Zijn glorietijd, de jaren zeventig, was niet toevallig ook het tijdperk van de maakbare samenleving. Toen wist hij verschillende gemeenten van de noodzaak van zijn allesomvattende ontwerpen te overtuigen. In Helmond mocht hij een theater te bouwen, omringd door paalwoningen. In Rotterdam bouwde hij nog meer paalwoningen, die samen met onder meer een potloodvormige toren een complex woningen in extreem hoge dichtheid vormen. De Rotterdamse paalwoningen maakten Blom beroemd en zijn nu een toeristische attractie.

Zelf vond Blom de kasbah in Hengelo zijn belangrijkste ontwerp. Vooral in dit woningencomplex komt de onbescheiden kant die Blom ook had naar voren. Grote verwachtingen had hij van de openbare ruimte die hij onder het `stedelijk dak' van de 128 opgetilde woningen van zijn kasbah had gecreëerd. Maar de bewoners gedroegen zich anders dan Blom wilde: niet voor allerlei creatieve dingen gebruiken ze de ruimte onder hun huizen, maar voor het parkeren van hun auto's.

Na zijn glorietijd heeft Blom niet veel meer gebouwd. Maar midden jaren negentig viel hij plotseling weer op met onder meer een huis voor een pianiste in Amersfoort en een kantoor voor een gasbedrijf in Heemskerk. In deze werken ging hij voort op de weg die hij met zijn potloodtoren in Rotterdam was ingeslagen: het huis werd een Russisch paleisje compleet met ui-vormige dakjes en het gasbedrijfkantoor werd een soort middeleeuws kasteel. Het waren milde vormen van Las Vegas-bouwkunst, die schril afstaken tegen het neomodernisme dat de Nederlandse architectuur toen beheerste: ook in zijn laatste werken was Piet Blom dwars als altijd.