De weg terug

HET WAS EEN ouderwetse capitulatie, de Joegoslavische handtekening gisteravond onder de NAVO-voorwaarden. De voorafgaande, maandenlange geweldsuitbarsting mocht weliswaar formeel geen oorlog heten, maar praktisch ging het om een totale oorlog waarbij de burgerij niet werd gespaard. Maandag zouden overigens nog enkele honderden Servische soldaten zijn gesneuveld in een laatste opleving van de bombardementscampagne. De maat is vol, Joegoslavië heeft genoeg te incasseren gekregen. Bovendien bleken Slavische broederschap en orthodoxe saamhorigheid de Serviërs niets op te leveren. Het Kremlin volgde zijn eigen agenda. Daarin kreeg de relatie met het Westen uiteindelijk prioriteit.

De moeilijkste fase moet nu beginnen. Wantrouwen tekent de verhoudingen. De straks Kosovo binnentrekkende NAVO is op haar hoede voor Servische hinderlagen, de Serviërs vrezen de vechtlust en de wraakzucht van het UÇK en vragen zich af of de geallieerden de Kosovaren voldoende op afstand kunnen en willen houden. Maar de lijnen zijn getrokken. De Servische onderwerping van Kosovo is mislukt, ook al is de bevolking verjaagd en zijn dorpen en steden gebrandschat. Daarmee is de vrede nog niet gewonnen. De terugkeer van vluchtelingen naar een verwoest land zal een operatie van lange adem zijn. De verwachte confrontatie met de in Kosovo gepleegde misdaden zal haar invloed hebben tot ver buiten de grenzen van wat nog altijd een Joegoslavische provincie is.

IN ZOVERRE HEEFT de internationale gemeenschap voor zichzelf slechts uitstel van de afrekening verworven. De keuze voor het voortbestaan van Joegoslavië in zijn tegenwoordige vorm is zowel een compromis als een geloofsartikel. Zonder die keuze zou de begeerde Veiligheidsraadresolutie, die impliciet en de facto, zij het achteraf, de rechtmatigheid van de gevoerde luchtoorlog erkent, buiten bereik zijn gebleven. Maar ook het Westen zelf ziet de risico's van het Kosovaarse separatisme. Een onafhankelijk Kosovo zou de toch al wankele verhoudingen op de Balkan verder ontwrichten, met alle gevolgen van dien. Evenals na de Golfoorlog in Irak wil het Westen op de Balkan de status quo ante zoveel mogelijk intact laten. Daarvoor zijn goede machtspolitieke argumenten te bedenken, ook al resulteert die toestand in een blijvende internationale aanwezigheid en verantwoordelijkheid.

Het aanblijven van Miloševic in Belgrado zal, evenals het aanblijven van Saddam Hussein in Bagdad, nieuwe complicaties met zich meebrengen. Vertrouwen in de mogelijkheden van een interne oppositie om tot een wisseling van de wacht te komen, is in Irak misplaatst gebleken. Zo bezien is de internationale gemeenschap een gewaarschuwd gezelschap. Met het Servische vertrek uit Kosovo is het gestelde doel – een plaats binnen `Europa' voor de Balkan – nog verre van bereikt.