De crisis duurt voort

DE PARLEMENTAIRE enquêtecommissie-Van Traa hield enkele jaren geleden de opsporingsinstanties de spiegel voor. Het was niet fraai wat zij daarin zagen. Met name de zogeheten Delta-methode was uitgelopen op een grootscheepse bevoorrading van de illegale markt van softdrugs met het fiat van politie en justitie. De overheid had zich door deze methode in de woorden van de commissie-Van Traa laten gijzelen.

Het is nog veel erger, concludeert de parlementaire commissie-Kalsbeek die de uitvoering van het rapport-Van Traa heeft geëvalueerd. Zij noemt de voorgehouden spiegel ,,een one-way screen waarachter een werkelijkheid ligt die nog verontrustender is dan de Delta-methode al was''. Er heeft grootscheepse parallelimport plaatsgehad van harddrugs, ten minste 15.000 kilogram cocaïne (geschatte straatwaarde 1,2 miljard gulden). Waarschijnlijk is het meer. En het is helemaal niet zeker dat het niet gewoon doorgaat.

Een belangrijk verschil is dat de Delta-methode althans nominaal onder regie van de opsporingsinstanties stond. Parallelimport werd alleen mogelijk door regelrechte corruptie bij overheidsfunctionarissen. Men kan zeggen van de Nederlandse opsporingsinstanties wat men wil, maar zij zien corruptie niet als een bijzondere opsporingsbevoegdheid. De twee kwesties hebben echter ook een verontrustend raakvlak. Het onderzoek naar de parallelimport is verziekt door dezelfde stammenstrijd binnen het apparaat en het zich begeven in chantabele posities die kenmerkend waren voor de Delta-methode en alles waar deze voor stond.

HET IS DAN OOK niet goed te begrijpen dat de commissie-Kalsbeek concludeert dat niet meer kan worden gesproken van de crisis in de opsporing die door de parlementaire enquêtecommissie aan de kaak werd gesteld. Zeker, het enquêterapport van 1996 is, zoals Kalsbeek cum suis het uitdrukken, ,,omgezet in een veelheid van veranderingsprocessen''. Maar het laten voortslepen van de cocaïne-affaire, met de bijbehorende aanhoudende geruchten in de kring van politie en justitie, holt de recuperatie op zijn minst zozeer uit als het bureaucratische vluchtgedrag dat het rapport-Van Traa in opsporingsland teweeg zou hebben gebracht.

Een reden tot zorg is niet in de laatste plaats de relativerende reactie van minister Korthals (Justitie). Hij heeft gelijk als hij waarschuwt dat de afwikkeling van de cocaïnezaak juridische haken en ogen heeft. Voorzover er al harde bewijzen zijn aan te voeren zijn ze al gauw besmet. De afloop van de rechtszaak-U., die ten grondslag lag aan de Delta-affaire, illustreert dat dit een reële handicap vormt. Maar voor de stammenstrijd binnen de opsporingsdiensten is de minister wel direct verantwoordelijk. En dat geldt ook voor de communicatie met het openbaar ministerie.

HEEFT KORTHALS voldoende greep op het justitie-apparaat? De bewindsman heeft de ware omvang van het probleem van de parallelimport pas onlangs van de parlementaire commissie moeten vernemen. Hij heeft de affaire ook maar geërfd, inclusief de onwilligheid van het vorige kabinet de nodige personele consequenties te verbinden aan het rapport-Van Traa. Maar daar was hij als Kamerlid zelf bij. Des te meer treft het gebrek aan een sense of urgency van deze bewindsman en van zijn collega Peper (Binnenlandse Zaken), die nota bene hard bezig is de exclusieve verantwoordelijkheid voor het beheer van de politie te verwerven.

Na de Bijlmerenquête wekt de Haagse reflex van het ,,onder de pet houden'' niet werkelijk verbazing meer. Zeker ministers van politie moeten beseffen hoe gevaarlijk dat is.