Cultuurdebat gaat voorbij aan de kern van de zaak

De kunstwereld zou er goed aan doen minder kleingeestig te reageren op de plannen van staatssecretaris Van der Ploeg, meent Rob Boonzajer Flaes. Het huidige platvloerse debat gaat ten koste van de kern van het probleem: subsidiëring door de overheid van culturele diversiteit op het gebied van kunst en cultuur.

De kerkenraad vergadert. De agenda is dezelfde als altijd, en ook de leden zijn al jaar in jaar uit dezelfde. Ze voelen zich verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van hun gemeente, en ze zijn ervan overtuigd dat die zorg bij niemand in betere handen is dan bij hen. Ze doen dit werk per slot van rekening al jaren, tot volle tevredenheid van in ieder geval zichzelf.

Plotseling wordt de deur opengegooid en komt een onverzorgd geklede jongeman naar binnen. Hij heeft lang in het buitenland gewoond – aan zijn Nederlands is dat nog te horen. Bovendien draagt hij een verkeerd pak. ,,Mensen'', roept hij, ,,de dorp staat in het brand. We moeten er iets aan doen. Come on, hands aan de ploeg. Als we nu allemaal zeven procent ...''

Het is even stil, maar dan barst de kerkenraad in onderlinge verontwaardiging bijna uit haar voegen. De dorp, het brand – weet die vreemdeling wel waarover hij het heeft? De kerkenraad wil trouwens eerst wel eens weten hoe hij aan die informatie komt – met de kerkenraad heeft hij over die brand niet eerder overlegd. Bovendien moeten de grenzen van het dorp eerst maar eens worden gedefinieerd. Hoort het platteland er ook bij? Zolang we dat niet weten zou het buitengewoon onverstandig zijn tot overhaaste actie over te gaan. En is het de vreemdeling soms niet bekend dat al twaalf vergaderingen geleden een commissie is ingesteld om verschillende scenario's voor brandbestrijding op hun onderlinge merites te bestuderen? Nieuw is het rampenverhaal van de nieuwkomer nu ook weer niet – we hebben al eerder brandmeldingen gehad, maar blussen bleek alleen averechtse gevolgen te hebben. Naar die brand gaan we zeker niet kijken.

Hoe komt het toch dat de Nederlandse – van staatswege gesubsidieerde – kunstwereld grosso modo zo geborneerd en kleingeestig reageert op de diverse plannen over culturele diversiteit die recentelijk het licht hebben gezien? Waarom is die culturele kerkenraad weliswaar op elke komma bedacht, maar spreekt hij met geen zinnig woord over het probleem dat aan de orde wordt gesteld door zowel Van der Ploeg als door de opstellers van het pamflet `Een stimuleringsfonds voor culturele diversiteit'?

Het antwoord hierop is eigenlijk heel simpel – de kerkenraad heeft te lang op het pluche gezeten, heeft te lang alleen naar zijn eigen argumenten geluisterd, en is de band met de realiteit kwijtgeraakt. De kerkenraad ziet de brand niet omdat het haardvuur gezellig brandt en iedereen veilig binnen zit.

De argumenten luiden als volgt. Het gaat om de Kwaliteit van de Kunst, en omdat wij degenen zijn die bepalen wat kunst is, valt buiten dat terrein alleen rommel waar te nemen – dat weten wij, want als ze daarbuiten iets voorstelden dan zaten ze wel bij ons.

In zijn bedrieglijke eenvoud gaat het hier om een van de oudste, maar ook doorzichtigste, debatingtrucs ter wereld. Zo is het algemeen kiesrecht lang tegengehouden met als argument dat de mindere standen nu eenmaal geen verstand hebben van staatszaken. Ook het apartheidsregime in Zuid-Afrika was sterk in dit soort drogredeneringen: juist om de kwaliteit van de samenleving te handhaven kunnen we geen zwarten toelaten in posities van macht. Die samenleving is namelijk de witte, beschaafde samenleving – en naar analogie daarvan is cultuur wat wij als zodanig kenmerken.

Het is in dat kader veelzeggend dat op veel terreinen van de samenleving de culturele integratie en diversiteit al verder zijn gevorderd dan in de door de staat gesubsidieerde kunsten. Een van de redenen daarvoor is dat, in wat ik het vrije veld noem, de aanpassing aan de veranderde demografische verhoudingen in Nederland zich geleidelijk aan met een zekere onvermijdelijkheid voltrekt.

Albert Heijn kan zich alleen al uit markttechnische redenen niet veroorloven het winkelpersoneel alleen uit de autochtone bevolking te halen; etnomarketing is een bloeiende bedrijfstak geworden en in het kleine winkelcircuit doen veel allochtone groeperingen het uitstekend. Het is dan ook geen wonder dat allochtone kunstenaars het relatief goed doen in de filmerij, de schrijverij en in de populaire muziek – terreinen die dicht tegen de markt aanzitten, en waar je ook zonder subsidie een eind kan komen. De op wereldcultuur gebaseerde festivals als Mundial, Dunya en Roots/Holndfstvl lopen uitstekend, en trekken met een cultureel divers aanbod een groot en geïnteresseerd divers publiek. Er zijn – kortom – mogelijkheden genoeg om daarvan ook iets te laten doorklinken in de structurele subsidiëring. Dat er geen talent of belangstelling zou bestaan wanneer de grenzen van de rijksgesubsidieerde kunsten worden overstegen, of wanneer daar op nieuwe cultuurvormen en kunstuitingen gebaseerde criteria worden gehanteerd, is aperte onzin. Integendeel – het probleem is juist dat binnen dat structureel gesubsidieerde circuit geen mechanismen bestaan om op die potentie in te spelen. Het gebrek aan kennis en kundigheid op het terrein van culturele diversiteit in deze wereld is dramatisch. Het automatisme waarmee kunst wordt gelijkgesteld aan `wat lijkt op wat we nu al hebben' en verkaveld wordt volgens verdeelsleutels die al twintig jaar nauwelijks zijn veranderd, is van een moedeloosmakende treurigheid. Je hoeft niet eens een voorstander van culturele diversiteit te zijn om in te zien, dat je door kunst op een dergelijke manier te definieren niet eens in staat bent om andere kunstuitingen, andere locaties en andere kwaliteitscriteria zelfs maar te herkennen. En wie beweert dat het nu echt tijd is geworden voor toetreding van nieuwkomers, en de jaar in jaar uit comfortabel gesubsidieerde instellingen en individuen aanspreekt op hun verantwoordelijkheid in dat opzicht, kan wachten op kwalificaties als `welzijnsbeleid', `achterhaald', en `culturele apartheidspolitiek'.

De toon en de felheid van de reacties op de voorstellen ter bevordering van culturele diversiteit doen dan ook vermoeden dat er iets veel ernstigers aan de hand is dan zorg voor het behoud van kwaliteit. En de reden dat het debat nu opeens zo oplaait is dan ook veel platvloerser dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. Het gaat helemaal niet over kwaliteit – het gaat om macht, en het gaat om geld. Geld dat nu keurig verdeeld is onder een vast type gezelschappen, en waar zich nu opeens buitenstaanders dreigen binnen te dringen.

In tegenstelling tot wat de op verheven toon gevoerde kwaliteitsargumenten doen vermoeden is de van rijkswege gesubsidieerde kunstwereld gewoon een markt – een hele merkwaardige, maar toch een markt. De rijksoverheid is de enige inkoper, en eens in de vier jaar worden zaken gedaan: wanneer de meerjarige subsidies worden verdeeld. Daarna kan iedereen weer onbekommerd verder, maar als het marktdag is moet je je handel zien te slijten. Dat moment komt er nu weer aan, en zoals een behoorlijke marktkoopman betaamt, schreeuwen de vaste leveranciers moord en brand wanneer door de enige inkoper nieuwe aanbieders worden toegelaten. Stel je voor – of wij onder elkaar niet kunnen uitmaken wat er nodig is. Wij zijn toch zeker de professionals – dus wat komt een amateur van een staatssecretaris zich nu met ons werk bemoeien? Of een verzameling pamflettenschrijvers?

De discussie wordt, in ieder geval in het openbaar, niet in de platte termen van geld gevoerd. Ook dat is een kwestie van cultuur – van bedrijfscultuur zo u wilt. Het is voor professionals in Nederland gewoon niet chic om ordinair over centen te roepen – dat is meer iets voor vakbonden, belangenorganisaties of taxichauffeurs. Daarom wordt in dit soort gevallen onveranderlijk gewezen op het grote maatschappelijk belang van kwaliteitsbewaking, die natuurlijk nergens in betere handen is dan bij de professionals die nu het geld verdelen en ervan profiteren. Apothekers, medisch specialisten, notarissen, gezondheidsboeren, cultuurboeren – als het erom gaat nieuwkomers buiten de deur te houden hanteren ze allemaal dezelfde methode. Verhef je eigenbelang tot algemeen belang (kwaliteit), beschuldig de eventuele nieuwkomers van incompetentie (geen kwaliteit), en houd hoe dan ook de deur dicht. Alleen zo kan ik de woedende reacties van de gezeten theaterbonzen en cultuurpausen verklaren, die in de pers onbekommerd de vrije ruimte kregen: `men weet al tevoren dat een stimuleringsbeleid tot mislukken is gedoemd' (en reken er maar op dat men er ook alles aan zal doen om dat te bewijzen), `wat kwaliteit is bepaal ik zelf' (en ik wil graag gesubsidieerd in die positie blijven), `de staatssecretaris wil met zijn pleidooi voor meer culturele diversiteit een cultureel apartheidsbeleid gaan voeren' – dat laatste kan toch moeiteloos de gotspe van de eeuw worden genoemd. Het gaat in die zogenaamde discussie helemaal niet om kwaliteit – het gaat om de macht, en het gaat over geld.

Michael Zeeman wint tot dusverre moeiteloos de eerste prijs in de categorie doorzichtige debatingtrucs – ik geef een voorbeeld dat te mooi is om onopgemerkt de geschiedenis in te gaan. In de plannen van de staatssecretaris wordt in het midden gelaten hoe de rijksgesubsidieerde instellingen invulling moeten geven aan hun prestaties op het terrein van culturele diversiteit. En dat is natuurlijk logisch, want de problemen zijn niet op alle terreinen het zelfde. Bovendien is het aan die gesubsidieerde instellingen zelf om met oplossingen te komen voor een probleem dat ze kennelijk zelf niet in voldoende mate hebben onderkend. Op het gebied van de wereldmuziek neemt Nederland bijvoorbeeld een vooraanstaande plaats in, maar daarvan vind je in het orkestenbestel niet veel terug – heren, doe er iets mee. Op het gebied van het theater liggen de problemen in het potdichte subsidiecircuit, maar er is theateraanbod genoeg op plaatsen buiten de gevestigde vertoningsplaatsen – heren, ga er eens mee aan de slag.

En wat is nu de reactie hierop van onze culturele wentelwiek? De staatssecretaris is laf, want hij zegt niet wat hij wil. Zei hij het wel, dan was hij natuurlijk een stalinististische dirigist die zijn vooringenomen standpunten dwingend wilde opleggen. Heads I win, tails you lose – als we maar niets hoeven te ondernemen. Want we zouden niet weten wat.

Het is met name dat soort kleingeestige hebberigheid – die zekerheid dat wij onder elkaar wel weten wat al dan niet goed is voor allochtonen, die gewoon eerst eens `een behoorlijke schoolopleiding moeten krijgen' – die mij het plaatsvervangende schaamrood naar de kaken doen stijgen. Heb ik me daarvoor drie jaar lopen inspannen in de Raad voor Cultuur? Om die verwende, zich in hun eigen geborneerdheid kronkelende vlerken die zich voordoen als cultuurdragers de hand boven het hoofd te houden? Het komt mijn neus uit - en daarom keer ik me vierkant me tegen de gemakzuchtige praatjes van cultuurbobo's die zich nu bedreigd voelen in hun comfortabele positie. Als je al van culturele apartheidspolitiek wilt spreken dan tref je die daar aan – niet bij mensen die er iets aan proberen te doen.

Gezien de reacties is het grootste gevaar van de plannen van Van der Ploeg dan ook niet dat ze te ver gaan, maar dat ze niet ver genoeg gaan. Sterk in intenties, maar te goedgelovig in de uitwerking. Een politieke slag winnen is één ding – en ik hoop van harte dat het lukt – maar het voeren van de loopgravenoorlog, die gezien de publieke reacties nodig zal zijn om iets tot stand te brengen dat werkelijk hout snijdt, is heel andere koek. En dan zwijg ik nog over de reacties die binnenskamers zijn afgegeven. Het eerder gelanceerde plan voor een stimuleringsfonds, waarin de bewuste 40 tot 60 miljoen voor culturele diversiteit werden gekoppeld aan de expertise van mensen die in ieder geval verstand en ervaring op dit terrein hebben, zou een hoop moeilijkheden kunnen voorkomen. Niet nu, maar wel over een jaar of wat.

Rob Boonzajer Flaes is antropoloog en kroonlid van de Raad voor Cultuur.