A Nightmare at the Opera

De menselijke stem is het mooiste instrument, zegt men. En wie zou dat durven tegenspreken? Geen gitaar kan op tegen het nasale gesnier van Bob Dylan, geen drumsolo haalt het bij het overdonderende volume van Aretha Franklin, geen pannendeksel benadert de gruis-groezeligheid van Tom Waits, en zelfs de wonderpiano van Tori Amos legt het af tegen de nuances van haar venijnige slaapkamerstem. Zonder een stem is een muziekstuk niet compleet.

Tenminste: in de popmuziek, waar instrumentale nummers al gauw vervallen in pompositeit of onbenulligheid. Ik zal niet de enige zijn die decennia na dato nog trauma's heeft van stemloze hitjes als `Fanfare For The Common Man' van Emerson, Lake and Palmer en `De Vogeltjesdans' van De Electronica's. Om van Jean-Michel Jarres synthesizervariaties `Oxygen I-IV' maar niet te spreken.

Naar popmuziek zonder zang kan ik niet luisteren. Dat is nauwelijks een beperking, want zoveel instrumentale genres zijn er niet en zelfs in de house is de stem nog niet helemaal afgeschaft. In de klassieke muziek zou zo'n hang naar zang heel wat problematischer zijn. Symfonieën, pianosonates, strijkkwartetten – je ontzegt jezelf de hoogtepunten van de Westerse muziek als je weigert om naar instrumentale composities te luisteren. Anders dan in de popsong zijn stem en tekst in de muziek van Bach, Mozart en de rest niet de norm.

En dus prijs ik me gelukkig dat ik geen aversie heb tegen instrumentale klassieke muziek. Het is juist omgekeerd: op een enkele uitzondering na (de Matthaeus Passion, de liederen van Schubert) kan ik niet tegen zang in de klassieke muziek. En aan opera zal ik helemaal nooit wennen. Voor een deel komt dat door de eigenaardigheden die de gemiddelde operahater als bezwaren aanvoert: de zangers en zangeressen zijn vaak te oud of te dik voor hun rollen, de libretti vergen te veel suspension of disbelief, en de ten tonele gevoerde emoties zijn barok en onecht.

Nog afgezien van het feit dat dit soort kritiek ook te leveren valt op de boeken van Alexandre Dumas of de films van Fellini – kunstwerken die tot mijn favorieten behoren – het zou allemaal niets uit moeten maken. Het gaat om de veelzijdigheid van de stem, en een Callas of een Carreras zou iedere ongeloofwaardigheid moeten kunnen doen vergeten. Je vraagt je bij Frank Sinatra ook niet af of hij wel meent (en waar kan maken) wat hij zingt in `Love And Marriage'.

Het is niet dat ik van kwade wil ben. Behulpzame vrienden en kennissen hebben de afgelopen jaren geprobeerd om me te bekeren met behulp van de toegankelijkste hoogtepunten uit de operageschiedenis; en ik heb trouw vele uren geluisterd. Maar of het nu Norma van Bellini was, of Das Rheingold van Wagner, het liet me eigenlijk siberisch. Of toch niet helemaal: typisch genoeg kon ik wel genieten van de ouvertures en de instrumentale gedeeltes, en begon ik me te ergeren wanneer de aria's en de duetten inzetten. Eigenlijk is er maar één opera die ik niet als een straf beschouw om uit te zitten, en dat is Don Giovanni, en dat heeft waarschijnlijk te maken met de herinnering aan de filmische en prettig-afleidend sensationele (tv–)bewerking die regisseur Peter Sellars er ooit van maakte.

Waarschijnlijk ben ik gewoon een barbaar, aan wie de vermeend fijnzinnigste uitingsvormen van de menselijke stem niet besteed zijn. Maar waarom kan ik dan wel genieten van de klassieke zang van Portishead, de operateske zangpartijen op het Queen-album A Night At The Opera, of de kameleontische bariton van Elvis Presley?

Met opvoeding heeft het niets te maken, want zoals zo veel kinderen van de jaren zestig kreeg ik de popmuziek niet met de paplepel ingegoten. En dat ik er nog niet rijp voor ben, wordt ook steeds onwaarschijnlijker. Wie op zijn vijfendertigste niet huivert bij Callas zal dat op zijn zeventigste ook niet doen.

Een toekomst zonder Pavarotti is mijn lot, zonder Sutherland en Norman. Anderen hebben een leven zonder Debbie Harry of Kurt Cobain, dus erg rouwig kan ik er niet over zijn. Maar toch: vergeef me, ik weet niet wat ik mis.