Tragisch drieluik pensioenfonds

Het op drie na grootste Nederlandse pensioenfonds bleef de afgelopen vijf jaar sterk achter bij de rende- menten in de pensioen- branche. Dat kostte miljar- den gederfd rendement.

Een nieuwe naam. Een nieuwe pensioenregeling voor de 328.222 actieve en 571.467 rustende werknemers bij metaal- en technische bedrijven. Maar het jaarverslag over 1998 van het op drie na grootste pensioenfonds leest als een tragisch drieluik van gemiste kansen.

Met ruim 29 miljard gulden belegd vermogen is het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken (voorheen voor Metaalnijverheid) een pensioenkolos. Maar een kolos die de superrendementen in de branche niet kon bijbenen.

Het rendement bleef de laatste vijf jaar gemiddeld 1,5 procent punt achter bij dat van het gemiddelde pensioenfonds, zoals de adviesfirma WM company die becijfert. Het doorsnee fonds behaalde 10,7 procent rendement, het metaal en techniekfonds 9,2 procent. Dat scheelde de aangesloten werkgevers en hun werknemers de afgelopen vijf jaar meer dan vier miljard gulden, dat is gelijk aan vier jaar betaalde pensioenpremies.

Waardoor ontstond de achterstand? Het fonds is er open over: minder belegd in aandelen dan het doorsnee pensioenfonds, bij de aandelenbeleggingen ook nog eens verkeerde keuzes en dan was er nog een constructie om de beleggingswinsten te beschermen, die zich juist tegen het rendement keerde.

Het bedrijfstakfonds was traditioneel risicomijdend in zijn beleggingen: een voorliefde voor effecten met een vaste rente en vastgoed, niet voor aandelen. Ten opzichte van het doorsnee pensioenfonds belegde het metaal- en technische fonds 10 procentpunt minder in aandelen, en aandelen waren nu net de grote winnaar op beleggingsgebied.

Waarom was het fonds zo timide? Aandelen geven op lange termijn superieure rendementen, maar zij geven ook meer risico dan bijvoorbeeld effecten met een vaste rente. En de angst voor risico's woog bij het bestuur van werkgevers en werknemers altijd zwaarder dan de kans op extra rendement. Als het een keer een jaar dramatisch mis zou gaan op de financiële markten, moeten de premies plots verhoogd worden om de tegenslag op te vangen en dat durven de werkgevers en werknemers zichzelf niet aan te doen.

Bij het fonds zijn meer dan 37.000 bedrijven aangesloten. Bij de modale werkgever werken 10 mensen. Zij zijn geen Unilever of Shell die het verlies even bijpassen. Bij gebrek aan hoge beleggingswinsten kost het tevens moeite om de financiële buffers op te bouwen die de toezichthoudende Verzekeringskamer nodig vindt voor extra aandelenbeleggingen.

De tweede factor in het lagere rendement waren de verkeerde keuzes binnen de aandelenbeleggingen. Het fonds belegde meer buiten Nederland en in kleinere bedrijven, terwijl de grote winnaars de afgelopen jaren juist de Nederlandse markt en aandelen van grote internationale bedrijven waren.

Sluitstuk van het tragisch triptiek is een constructie uit 1997 om de gerealiseerde beleggingswinsten op aandelen van 1,7 miljard gulden veilig te stellen. Dat werkte vorig jaar nog door. In ruil voor de zekerheid van het al behaalde rendement, gaf het fonds eventuele extra winsten op. Op het idee is weinig aan te merken, maar de timing was jammerlijk. Precies tijdens de looptijd van het contract stegen de koersen fenomenaal.

Vorig jaar boekte het fonds daardoor op zijn aandelenbeleggingen van tien miljard gulden een rendement (na aftrek van kosten) van 1,7 procent, tegen 15,4 procent bij het doorsnee pensioenfonds. In 1997 was het 12 procent tegen 32 procent. Rendementsderving: zo'n twee miljard gulden.

Dit jaar heeft het fonds als norm een verdere verhoging van de aandelenbeleggingen van 30 procent naar 35 procent van het vermogen. De verhouding tussen de pensioenverplichtingen en het belegd vermogen (128 procent) is gezond. Maar het bestuur heeft nog wat extra zekerheid ingebouwd. Het fonds stapt over op een pensioenregeling die niet meer is gekoppeld aan het laatst verdiende loon, maar aan het gemiddelde loon. En in plaats van VUT komt er vroegpensioen. De kosten gaan voor de baat uit: de pensioenpremie kan wat omlaag (met een procentpunt naar 17 procent), maar daar komt een vroegpensioenpremie van 4,5 procent van het brutosalaris bij.