Politie wist van handel in cocaïne

De partijen softdrugs die sinds eind jaren '80 in Nederland met medeweten van justitie zijn ingevoerd en leidden tot de enquête Opsporingsmethoden, waren dekmantel voor omvangrijke cocaïne-import waaraan corrupte douane- en politieambtenaren hebben meegewerkt.

In totaal is ten minste 15.000 kilo cocaïne ingevoerd, met een straatwaarde van 1,2 miljard gulden.

Dit schrijft de Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden in haar eindrapport `Opsporing in uitvoering', die vandaag in de Tweede Kamer wordt gepresenteerd. De commissie, onder voorzitterschap van Kamerlid E. Kalsbeek (PvdA), onderzocht of de crisis in de opsporing die door de enquêtecommissie Van Traa werd vastgesteld inmiddels effectief is bestreden.

Politie-informanten uit het drugsmilieu die op kosten van justitie zouden worden ,,afgebouwd'' blijken hun criminele activiteiten op kosten van justitie, met geld dat was bedoeld voor onder meer beschermingsprogramma`s, te hebben voortgezet. ,,Verschillende informanten'', aldus het rapport, organiseerden tegelijk de genoemde cocaïnetransporten.

Het college van procureurs-generaal en de voormalige minister van Justitie W. Sorgdrager waren ,,al langere tijd'' op de hoogte, aldus de commissie. De huidige ministers Korthals (Justitie) en Peper (Binnenlandse Zaken) kenden de feiten evenwel ,,slechts gedeeltelijk'', tot zij eind maart door de commissie op de hoogte zijn gebracht. De evaluatiecommissie dringt bij Korthals aan op een diepgaand onderzoek.

Eerder ,,stagneerde'' onderzoek naar de cocaïnetransporten en de dubbelinformanten wegens ,,onderling wantrouwen'' binnen justitie en politie, aldus het rapport. In mei heeft de voorzitter van het college van PG's, J.L. de Wijkerslooth, drie verantwoordelijke hoofdofficieren volgens een betrokkene ,,op het matje geroepen'': H. Vrakking (Amsterdam), H. van Brummen (Haarlem) en H. Holthuis van het landelijk parket.

De commissie-Kalsbeek concludeert over de opsporingsmethoden onder meer dat de implementatie van nieuwe richtlijnen ,,nog tekort'' schiet, dat de verdeling van taken ,,niet altijd even duidelijk'' is en dat hoofdofficieren nog steeds niet altijd gedetailleerd op de hoogte zijn van toegepaste opsporingsmethoden.