Nederland is dwarsig op de Biennale in Venetië

Eigenlijk hoort Daan van Golden niet thuis op deze Biennale – dat lijkt hij althans zelf te vinden. De 63-jarige kunstenaar, die Nederland op dit tweejarige kunstevenement vertegenwoordigt, loopt de dag voor de opening ongemakkelijk door het paviljoen. Zijn witte overhemd slobbert om zijn tanige lijf, onder zijn arm houdt hij een ingelijste foto geklemd waarvoor hij aan de muur geen plek meer kon vinden. Hij is tevreden met de tentoonstelling, zegt hij, al heeft hij het gevoel dat een van zijn doeken wat verder naar links had moeten hangen. Later vertelt conservator Karel Schampers dat hij en Van Golden anderhalve week aan het meten en schuiven zijn geweest om de zeventien schilderijen zo goed mogelijk te arrangeren.

Ondanks alle tijd en precisie die in Van Goldens tentoonstelling zijn geïnvesteerd, is het twijfelachtig of zijn Pencil of Nature veel weerklank zal vinden op deze 48ste Biennale, die vandaag wordt geopend. Niet alleen is Van Golden nauwelijks bekend in het buitenland en zijn zijn doeken wel erg subtiel voor de hectische Biennale, hij valt ook nog eens buiten de `canon' van deze aflevering. Die werd vastgesteld door Harald Szeemann, de nieuwe Biennale-directeur, die de deelnemende landen heeft gevraagd om toch vooral jonge en vrouwelijke kunstenaars naar de paviljoens in de Giardini te sturen. En daar hebben veel landen aan voldaan – Engeland komt met de jonge schilder Gary Hume, Duitsland stuurt Rosemarie Trockel, Amerika Ann Hamilton. De Nederlandse keuze voor een 63-jarige man krijgt er zowaar iets dwarsigs van.

Het zou nog mooier zijn geweest als een ander plan van de Mondriaan Stichting, verantwoordelijk voor de Nederlandse bijdrage, zou zijn doorgegaan. Eind vorig jaar bedacht de stichting dat er tijdens deze Biennale ook een groepstentoonstelling zou worden georganiseerd om de Nederlandse kunst en bloc onder de aandacht te brengen. Dat was al vaker gedaan, maar nu was het moment optimaal: Rineke Dijkstra, Atelier van Lieshout, Marijke van Warmerdam en anderen hebben voor Nederlandse begrippen ongekend succes in het buitenland. Een tentoonstelling van hun werk zou de aandacht voor Nederland als kunstland flink versterken (een streven waarvoor de Mondriaan Stichting tonnen per jaar uitgeeft), en in de slipstream zouden kunstenaars als Job Koelewijn, Liza May Post en Suchan Kinoshita ook nog wat internationale aandacht kunnen vangen. Maar wat blijkt: er komt geen tentoonstelling omdat er geen locatie te vinden was, de geschikte palazzo's waren al aan andere landen vergeven. Een gênant staaltje mismanagement – alsof bij de Mondriaan Stichting niemand doorheeft dat je zulke projecten twee jaar van tevoren al kunt plannen.

Daar staat tegenover dat de Nederlandse `eer' door Van Golden ruimschoots wordt gered. Hoewel zijn tentoonstelling maar zeventien werken omvat, wordt goed zichtbaar hoe veelzijdig hij wel niet is en hoe goed hij de blik van de toeschouwer weet te `kantelen'. Zo maakte Van Golden al een perfecte Sigmar Polke (twee soorten materiaal, in vlammend contrast naast elkaar gezet), lang voordat Polke dat zelf kon, en vervaardigde hij een aantal schilderijen waarop hij details van een `dripping' van Jackson Pollock zo ver uitvergrootte, dat er in Pollocks wilde spatten zowaar gezichten of beesten te onderscheiden zijn. Het mooiste op Van Goldens expositie zijn echter de vijf `zakdoekschilderijen'; die zijn zo gelaagd dat het je als toeschouwer begint te duizelen. Op het eerste gezicht lijken het gewone kopieën van grote zakdoeken. Dan zie je dat Van Golden ze als een monnik heeft geschilderd: lijntje voor lijntje, over elkaar heen en onder elkaar door, waardoor er een hallucinerend patroon van lijnen ontstaat. Maar dan zie je weer, onder het subtiele licht van het Rietveld-paviljoen, het linnen er doorheen schemeren, en worden het weer zakdoeken, maar ook humoristische commentaren op de abstracte schilderkunst. Dat is Van Golden op zijn best: als hij de toeschouwer met eenvoudige, stille beelden het hoofd op hol weet te brengen.