Nationale cultuur bepaalt het Europees stemgedrag

Het Europees parlement opereert op het breukvlak van verscheidene sociale en politieke culturen. Parlementariërs uit verschillende landen doen hun werk op verschillende manieren. Dat heeft ook politieke consequenties.

Het Europees parlement is een heel ander soort orgaan dan de Tweede Kamer. Het is met 626 leden niet alleen immens, ook de onderlinge verschillen tussen de leden zijn aanzienlijk groter dan op het Binnenhof gebruikelijk is. Alleen al de verschillen in aanwezigheid zijn naar Haagse maatstaven onvoorstelbaar. Sommige leden zijn er vrijwel altijd. De Belgische arts Daniel Féret van het Front National, de Waalse tegenhanger van het Vlaams Blok, heeft in vijf jaar slechts één dag verstek laten gaan. ,,Als lid van het Front National ben ik nu eenmaal een gedrevene'', zegt hij. Ook de Nederlander Hans Blokland, vertegenwoordiger van de kleine christelijke partijen, is op nagenoeg elke zitting present.

De Italiaans Valerio Baldini van de Berlusconipartij Forza Italia heeft de afgelopen vijf jaar slechts 78 maal acte de présence gegeven. In de onderste regionen van de aanwezigheidsranglijst bungelen vele Italianen en ook andere Zuid-Europeanen. In tegenstelling tot in Nederland, waar het lidmaatschap van het Europarlement doorgaans wordt beschouwd als een full time job, hebben Europarlementariërs uit Zuid-Europese landen, inclusief Frankrijk, er vaak een minstens even drukke functie naast. Zo is de Italiaan Leoluca Orlando van de Europese fractie van De Groenen tevens burgemeester van Palermo.

Het ligt voor de hand dat zulke grote verschillen in aanwezigheid consequenties hebben voor stemmingen. Immers, wie er niet is, kan niet stemmen. Het omgekeerde geldt echter niet zonder meer. Het komt vaak voor dat Europarlementariërs die wél de presentielijst tekenen op die dag toch niet meedoen aan de stemmingen. Een burgemeesterschap van een stad een paar duizend kilometer verderop schiet daar tekort als verklaring.

Tot vorig voorjaar zou de regeling voor de daggeldvergoeding een deel van de verklaring kunnen vormen: het tekenen van de presentielijst was de enige voorwaarde om die vergoeding van circa vijfhonderd gulden te incasseren. De Britse omroep ITN liet in een documentaire zien dat daar volop misbruik van werd gemaakt. Sinds 18 februari vorig jaar verliezen leden die niet ten minste aan de helft van de hoofdelijke stemmingen van de desbetreffende dag deelnemen vijftig procent van de vergoeding. Die kortingsregeling is overigens alleen op dinsdag tot en met donderdag van toepassing. Op maandag en vrijdag volstaat nog steeds het tekenen van de presentielijst.

Uit de analyse die NRC Handelsblad heeft uitgevoerd op alle hoofdelijke stemmingen van de afgelopen zittingsperiode van vijf jaar blijkt dat de maatregel inderdaad een krachtig effect heeft gesorteerd. Eind 1997 schommelde het gemiddeld aantal stemmen dat per voorstel werd uitgebracht op dinsdag, woensdag en donderdag rond de 390. Vanaf maart 1998 ligt dat rond de 450, een stijging van ruim vijftien procent. Voor het aantal stemmen dat op maan- en vrijdagen werd uitgebracht trad deze verandering niet op: dat bleef rond de 150 schommelen.

Het aantal mensen dat vrijdags deelneemt aan stemmingen is zeer gering. Zelfs aan de vroegste stemmingen, vlak na negen uur 's morgens, nemen zo'n honderd leden mínder deel dan die de presentielijst hebben getekend. In de uren daarna daalt dat aantal verder tot er rond het middaguur nog maar enkele tientallen leden aanwezig zijn.

Het is zelfs een keer voorgekomen (op een maandag) dat op een voorstel slechts 24 stemmen werden uitgebracht. Negentig keer werden minder dan honderd stemmen uitgebracht. Overigens gaat het in die maandag- en vrijdagstemmingen vaak om minder belangrijke kwesties, maar niettemin kan het van politiek belang zijn op welke dag een voorstel ter stemming komt.

Verschillen in nationale politieke cultuur en de manier waarop die in nationaal staatsrecht zijn verankerd leiden dus onder meer tot verschillen in de manier waarop Europarlementariërs uit verschillende landen hun stem tot gelding brengen. Nederlanders stemmen relatief vaak, vaker dan de parlementariërs uit enige andere lidstaat. Italianen stemmen het minst van allemaal. Met hun 87 zetels slagen ze er niet eens in om anderhalf keer zoveel stemmen uit te brengen als de Nederlanders, die over 31 zetels beschikken.

Ook de precaire verhouding tussen de `grote' landen wordt door de verschillen in stemgedrag beïnvloed. Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië beschikken elk over 87 zetels. Italië benut daar bij hoofdelijke stemmingen gemiddeld maar 35 van, Frankrijk 42 en Groot-Brittannië 61. Net als de Britten zijn ook de Duitsers trouwe stemmers, waardoor ze effectief over meer dan twee maal zoveel stemkracht beschikken als de Italianen en bijna twee keer zoveel als de Fransen.