Het verdriet van de biotechnologen

Plantbiotechnologie is hard nodig om de groeiende wereldbevolking te voeden, zeggen de deskundigen. Maar het publiek is daar zo moeilijk van te overtuigen, zo klaagt men in Rome tijdens de `Week van de plantbiotechnologie''.

Maar liefst 48,41 meter krantenkolom hadden de zeven belangrijkste Engelse kranten op 12 februari aan plantbiotechnologie gewijd. Begin mei was het issue plantenbiotechnologie weliswaar van de voorpagina's verdwenen, maar nog steeds was het goed voor 6,53 meter krantenkolom. Simon Bright, `technology interaction manager' van het Engelse biotech-concern Zeneca had het precies uitgerekend. En als in die tientallen meters papier nu nog relevante, genuanceerde informatie over biotechnologie stond. Maar nee, de koppen spreken boekdelen: `Bevries Frankenstein-voedsel vijf jaar','Menselijke genen in GM-voedsel', `Charles: `Mijn angsten over de veiligheid van GM-voedsel'.'

Volgens Francesco Salamini, directeur van het Max-Planck Instituut voor plantenveredeling in Berlijn, praten veel biotechnologen niet graag met journalisten. ,,Als je uitlegt welke voordelen biotechnologie biedt word je er van beschuldigd op de hand te zijn van de industrie. Het publiek vertrouwt wetenschappers niet meer. Het denkt dat we alleen maar geld willen verdienen en vergeet dat we zelf ook bezorgd zijn om het milieu.''

Het door de Europese Commissie gefinancierde European Plant Biotechnology Network heeft zich gevoelig getoond voor het negatieve imago van haar leden. Het heeft deze week uitgeroepen tot de `Week van de plantbiotechnology'. Behalve dat de organisatoren de biotechnologen hebben opgeroepen extra vaak met het publiek en met journalisten te praten, hebben ze ook zo'n driehonderd plantbiotechnologen van bedrijven en onderzoeksinstituten op de Universiteit van Rome bij elkaar gebracht om de `successen en uitdagingen' van de Europese plantbiotechnologie vast te stellen.

Successen zijn er genoeg, zo blijkt op het congres. De Europese onderzoekers hebben inmiddels tientallen typen genetisch gemanipuleerde gewassen in het veld getest die aantoonbaar resistenter zijn tegen schimmels, pesten en aaltjes dan de oude variëteiten. Allerlei technieken die twintig jaar geleden nog voor onmogelijk werden gehouden, zijn nu bijna een kunstje geworden. Er zijn goed groeiende, resistente populieren gemaakt waarin de genen zo zijn veranderd dat de bomen meer cellulose maken en minder lignine: de papierindustrie heeft zo minder gif nodig om het onbruikbare lignine van het bruikbare cellulose te scheiden. De biotechnologen hebben de hormoonregulatie van planten zo aangepast dat de stengels kort blijven – dat geeft een betere graanopbrengst. En zo zijn er planten gemaakt die medicijnen produceren, planten die stikstof beter opnemen, droogteresistente planten, en planten met extra veel kleur-, geur- of smaakstoffen.

,,De belangrijkste zorg van het publiek is niet eens het effect van de nieuwe gewassen op het milieu'', sombert de Belgische hoogleraar Marc van Montagu. ,,Was het maar zo, want die zorg zou weg te nemen zijn door de ecologische effecten ervan goed te monitoren. Probleem is dat het publiek het niet vertrouwt dat de biotechnologie in handen is van de industrie.''

De rol van de biotechindustrie moet bediscussieerd worden, maar ,,hoe communiceer je zo'n complex issue''? Van Montagu acht de biotechindustrie essentieel voor het voeden van de sterk groeiende bevolking in de volgende eeuw en ook voor een milieuvriendelijker productie. Wie anders dan de industrie zou de nieuwe planten marktrijp kunnen maken?

Maar dat kan ook weer niet het hele verhaal zijn, erkent hij. De industrie heeft inderdaad de beperking dat ze winst moet maken. Ze zal eerder investeren in duur te verkopen tomaten met extra smaakstoffen dan in bijvoorbeeld cassave, het belangrijkste voedingsgewas voor zo'n miljard armen in de Derde Wereld. Toch dragen ook die luxe-tomaten bij aan meer plantkennis, kennis die door onderzoekers in de tropen kan worden aangewend voor verbetering van hun eigen voedselgewassen. ,,Het is een uiterst complex issue'', verzucht een Franse ambtenaar ook nog eens.

Een ambtenaar van de Europese Commissie legt uit hoe de besluitvorming rond de subsidiëring van biotechnologisch onderzoek gaat veranderen. De adviescommissies van biotechnologen zullen worden uitgebreid met milieu- en consumentvertegenwoordigers en met andere wetenschappers zoals agronomen en ethici. Helaas was het niet gelukt om in Rome met die verbreding al een begin te maken. De organisatoren hadden een tiental milieu- en consumentengroeperingen aangezocht, maar kregen steeds nul op het rekest. Uiteindelijk hadden ze voor het panel een ecoloog van het Öko-Institut in het Duitse Freiburg bereid gevonden, maar ze werd ziek. Overigens wist zij wel een verklaring voor de geringe belangstelling toen zij de lijst van congresdeelnemers had gezien: die was volgens haar met driehonderd biotechnologen, merendeels mannen, veel te eenzijdig.

Die eerste dag van de Week van de plantenbiotechnologie kon zodoende de dagvoorzitter, de Engelse wetenschapsjournalist John Hodgson, niet overtuigen van een toekomst met een enthousiaster publiek: ,,Ik mis de vertegenwoordigers van maatschappelijke groeperingen, ik mis een uitgewerkt plan om de milieu-effecten van de gemanipuleerde gewassen die nu op de Europese markt komen te monitoren, en ik mis een uitgewerkt plan om ervoor te zorgen dat de belangrijkste voedselgewassen waarvoor geen koopkrachtige vraag is, toch ontwikkeld worden.'' Om niet al te serieus te eindigen haalde ook hij er een Britse krant bij. Op een cartoon zegt een ambtenaar enthousiast over een enorme knol: `wat een prachtige wortel'. De knol denkt bij zichzelf: `Ik ben een aardappel'.