Heimwee naar de jaren tachtig

Het is soms bijna niet voor te stellen hoe lang de jaren tachtig alweer geleden zijn. Dat zal met name voor de fans van Hal Hartley, die hebben gegniffeld om de monotoon uitgesproken verbale spitsvondigheden in The Unbelievable Truth (zijn speelfilmdebuut uit 1989), gelachen om de gestileerde vervreemding uit Trust (1990) en een herhaling daarvan in Simple Men (1992) na het zien van zijn meest recente film Henry Fool (ook alweer uit 1997) wel heel erg lang geleden lijken. In zijn eerste drie films verwoordde Hartley (1959) het ontregelde levensgevoel van jonge mensen in de New-Yorkse buitenwijken in die jaren van doem en Weltschmerz, no future en dansen op de vulkaan. Het waren ook de films waarmee Hartley als nieuw, onafhankelijk New-Yorks talent werd binnengehaald. `De nieuwe Godard', werd hij zelfs even genoemd, om zijn ongepolijste, maar stijlvaste films. Maar al na het verschijnen van Amateur (`teveel van hetzelfde') werd hij in 1994 weer afgeschreven.

Henry Fool is een soort Hartley voor beginners, want hij bevat alle ingrediënten waar de liefhebbers van zijn films maar geen genoeg van kunnen krijgen. Met name de droogkomische taalspelletjes zijn prominent aanwezig in deze geschiedenis over de delinquente schrijver Henry Fool (debutant Thomas Jay Ryan) en zijn protégé, de dichtende vuilnisman Simon Grim (James Urbaniak) die met zijn pornografische verzen uitgroeit tot een symbool van de tegencultuur, terwijl zijn leermeester steeds verder in verval raakt. Ook de personages zijn typisch Hartley: vlak, ruw, een beetje tegen het ordinaire, maatschappelijk uitgekotste aan. Met name de `queen of the indies' en vaste Hartley-actrice Parker Posey (Amateur, Flirt) is als de nymfomane zus van Simon op haar best. Rokend, als een anorexialijdster op haar wangen kauwend en met voortdurend verwarde haardos wankelt zij op haar huizenhoge hakken, ook als ze niet dronken is.

Is het dat we sinds Trust en Simple Men alweer zo veel nietsontziende kijkjes in het leven van de lagere middenklasse hebben gekregen dat Henry Fool zo gedateerd aandoet? Of is het omdat Hartley's blik op de wereld sinds The Unbelievable Truth niet meer noemenswaardig is veranderd, maar die van zijn toeschouwers wel? De dreiging voor een kernoorlog mag dan hebben plaatsgemaakt voor fascinatie voor het Internet (Grims faam verspreidt zich eerst door talloze chatrooms voordat een serieuze uitgever wat in zijn poëzie ziet), maar de neurotische meisjesvrouwen en de nukkige jongensmannen in zijn films wekken nog steeds niet de indruk volwassen te kunnen worden.

In een slordig gefilmde epiloog bij wat Hartley zelf graag zowel als een `komedie' als een `epische film over vriendschap en verraad' omschrijft, zijn de hoofdpersonen zelfs na een tijdsspanne van zeven jaar opvallend níet veranderd. Thomas Jay Ryan kijkt hooguit wat gekwelder, Parker Posey`s haren zitten misschien iets piekeriger en James Urbaniak weet nog steeds niet wat hij met z'n handen moet doen als hij acteert.

Er is trouwens nog iets anders geks met die epiloog. In bijna elke scène hangt de microfoon duidelijk zichtbaar in het beeld en als dat niet zo is, dan werpt hij wel een schaduw op de muur. Zelfs als dat niet de bedoeling is - en dat zal wel niet, want daarvoor ziet het er veel te slordig uit - krijgt het toch betekenis. Maar wel eentje die het laatste restje waarachtigheid van de film onderuit haalt.

Henry Fool. Regie: Hal Hartley. Met: Thomas Jay Ryan, James Urbaniak, Parker Posey, Maria Porter, James Saito, Kevin Corrigan, Liam Aiken, Nicholas Hope, Diana Ruppe. In: Desmet, Amsterdam; Haags Filmhuis; Filmcentrum Poelestraat, Groningen.