Een stem voor Europa

NIET ZOZEER WAT te gaan stemmen, maar óf te gaan stemmen is de allesoverheersende vraag bij de verkiezingen voor het Europees Parlement die morgen in Nederland worden gehouden. Gekoppeld aan deze vraag gaat de meeste belangstelling ook niet uit naar de uitslag, maar naar het opkomstpercentage. Vijf jaar geleden bracht niet meer dan 35 procent van de kiesgerechtigden zijn stem uit. Alleen in Portugal was de opkomst toen nog lager. Voor dit jaar zijn de voorspellingen niet veel beter. Het steeds belangrijker wordende Europees Parlement trekt in Nederland steeds minder kiezers.

Overigens is de gang van zaken in Nederland niet uniek. De dalende trend in de opkomst is algemeen, doch minder extreem. Bij de eerste rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement ging 67 procent van alle kiezers naar de stembus; vijf jaar geleden was het opkomstgemiddelde gedaald naar 58 procent. De aangedragen remedie is eveneens universeel. Het parlement zou meer bevoegdheden moeten krijgen en meer zichtbaar moeten worden. Dat het tweede een automatisch voortvloeisel is uit het eerste, is voor veel Europarlementariërs nog steeds een vanzelfsprekendheid.

TOCH ZIT HIER juist het probleem. Na de verdragen van Maastricht en Amsterdam zijn de bevoegdheden van de 626 Europarlementariërs aanzienlijk toegenomen. Zeker, het Europees Parlement vertoont in grote mate nog de trekken van een `bestuurdersbestuur' dat eerder een schakel is in de omslachtige Europese besluitvormingsketen dan een orgaan dat het finale oordeel velt. Maar dat kan allemaal niet wegnemen dat het Europees Parlement op meer en meer terreinen wél over de ultieme beslissingsmacht beschikt. Desondanks zit het Europees Parlement bij de kiezer met een toenemend imagoprobleem. De zichtbaarheid is niet vergroot, de scepsis over de werkzaamheden wel.

Met andere woorden: de monotone klaagzangen van Europarlementariërs over het democratische tekort zijn wel juist, maar ze vormen geen afdoende verklaring voor het toenemende gebrek aan belangstelling. Voor een belangrijk deel is het Europees Parlement daar zelf schuldig aan. Het aantal niet-zakelijke incidenten in het Brusselse en Straatsburgse vergadercircuit is net iets te veel.

MAAR VEEL belangrijker is dat de betrokken politici er de afgelopen vijf jaar wederom niet in zijn geslaagd om een politieke factor van betekenis te worden. Het wegsturen van de Europese Commissie was zonder meer een wapenfeit. De onderliggende reden – Europese fraude – kon bezien vanuit de bestaande vooroordelen haast niet ongelukkiger. Het grote manco blijft dat op Europese schaal werkelijke politieke keuzes te weinig worden gemaakt. Ook de nu afgesloten verkiezingscampagne kenmerkte zich meer door Europa-uitlegkunde dan door het politiseren van de vele grensoverschrijdende vraagstukken.

Het Europees Parlement is nog verre van ideaal. Maar thuisblijven is geen oplossing. De Europese trein dendert met of zonder parlementaire controle nu eenmaal voort. Europa is slechts een `beetje' democratie. Dat beetje moet worden gekoesterd om een volwassen democratie te bereiken. Stemmen voor het Europees Parlement met al zijn onvolkomenheden draagt daaraan bij.