Donald Sutherland

In een reeks profielen van eigentijdse sterren deze week de Canadese acteur Donald Sutherland, die na een lange omweg via de tegencultuur en de grote Europese filmauteurs weer terugkeerde naar het horror-genre, waar hij ooit in begon.

Welke Canadese filmacteur speelde Casanova, Gauguin en Jezus? Of, om het aspirant-deelnemers aan een filmquiz wat moeilijker te maken: wat is de overeenkomst tussen de regisseurs Fellini, Altman, Herzog, Chabrol, Roeg, Redford, Malle en Bertolucci? Laatste kans: wie vernoemde zijn zoon Kiefer, ook een ster, naar de achternaam van de scenarioschrijver van zijn filmdebuut, de obscure Italiaanse griezefilm Il castello dei morti vivi (Luciano Ricci, 1964)?

Donald Sutherland is, ondanks zijn zeer gevarieerde carrière, geen man van vele gezichten. Door de jaren heen bleef hij, weliswaar zichtbaar ouder geworden, steeds dezelfde lijzig-intelligente uitstraling behouden: lodderige oogopslag, zachte stem en langzame dictie, soms een half geopende mond in reactieshots, een voorkeur voor snorren en nonchalante baardjes en het vermoeden van verraderlijkheid.

Met de rol in Virus van een begerige sleepbootkapitein die tot androïde muteert is Donald McNichol Sutherland (St. John, New Brunswick, 17 juli 1934) teruggekeerd naar het horror- en actiegenre, waar hij in de jaren zestig zijn loopbaan mee begon. Naar Engeland gekomen om voor theateracteur te studeren belandde Sutherland in werkjes als Dr. Terror's House of Horrors en de ensembles van Amerikaanse actiefilms als The Dirty Dozen en Kelly's Heroes. Het publiek sloot hem voor het eerst in het hart als de hospik Hawkeye Pierce in Altmans Vietnam-satire M*A*S*H (Gouden Palm, 1970) en Sutherland werd een ster van de anti-oorlogsbeweging en subcultuur, door rollen als visioen van de Heiland in Johnny Got His Gun (Dalton Trumbo, 1971) en in de hippiekomedie Steelyard Blues. Samen met zijn tegenspeelster Jane Fonda, ook in Klute (Alan J. Pakula, 1971), produceerde en schreef Sutherland in 1972 een documentaire over de protestbeweging, waarvan de titel F.T.A. voor insiders onmiskenbaar `Fuck The Army' betekende.

Tussen allerhande films door die de rekeningen betaalden, draaide Sutherland in Italië de drie films, die hem onsterfelijk zouden maken: de door een rode dwerg het Venetiaanse labyrint binnengelokte vader van een overleden kind in Don't Look Now (Nicolas Roeg, 1973), de vervaarlijke fascistenleider Attila in Novecento (Bernardo Bertolucci, 1977) en de lucide, maar immens treurige titelrol in Il Casanova di Fellini (1978). Dat is Sutherland op z'n best, als tragische held, die weet wat het noodlot voor hem in petto heeft, maar er weinig aan kan veranderen.

Die kwalificatie geldt ook voor zijn vaderrol in Ordinary People (Robert Redford, 1980), die zes Oscarnominaties kreeg, maar niet voor de tot op de dag van vandaag door de Academy genegeerde, wellicht te linkse Sutherland. Hollywood geeft de grootste Canadese ster na Jim Carrey het liefst sinistere bijrolletjes, in allengs meer naar zijn oude stiel riekende genrefilms als Outbreak of Fallen. En als hij al eens in een prestigeproductie mag spelen, zoals Oliver Stone's JFK (1991), dan is het als louche intrigant, die op een bankje in het park staatsgeheimen doorbrieft.

Sutherlands oude niet-Amerikaanse kunstvrienden bedenken hem soms met nobele rollen in weinig opvallende biografieën, van Gauguin (Henning Carlsens Oviri) of Mao's Canadese lijfarts Norman Bethune. Het grote publiek kent hem nog voornamelijk als de vader van Kiefer Sutherland, een held van de volgende generatie.