Voedselvrees

Vroeger was er nog wel eens een slager die zijn zaak de Lachende Lendelap noemde. Een ondernemer met enig gevoel voor wat er leeft onder zijn cliënteel laat dat tegenwoordig uit zijn hoofd. La vache qui rit is passé. En de lichtgestoorde Melkuniekoeien, die gezien de gekkekoeienziekte toch al een gewaagde campagne voeren, hebben vast hun langste tijd gehad. In Amsterdam is er een zaak die de Vrolijke Abrikoos heet. Voor een vegetarisch restaurant kan het misschien nog net, al heeft een abrikoos ook daar geen reden zich vrolijk te maken. Er valt voor voedsel niet zo veel te lachen, net zo min als voor de etende consument.

De Belgische dioxinenkippen zullen ongetwijfeld de voedselvrees aanwakkeren. Voedselvrees komt voort uit reële zorg en irrationele angst. Het onderscheid is lastig te maken. Als aan voedsel eenmaal het odium van gevaar kleeft, gooit de publieke opinie grote en kleine risico's op een hoop. Giftige verontreiniging en ongevaarlijke additieven worden op één lijn gezet. Statistisch te verwaarlozen risico's groeien uit tot grote bedreigingen. Realistische proporties worden uit het oog verloren. Een week wintersport is een vele malen groter gezondheidsrisico dan een normaal Nederlands eetpatroon. Maar de overtuiging heerst nu eenmaal dat voedsel niet te vertrouwen is.

Bezwerende woorden van deskundigen missen hun doel. Geruststellend bedoelde begrippen als `sporen', `E 162' en `p.p.m.' vat het grote publiek, dat altijd al chemofoob is geweest, juist als heel verontrustend op. E 162 mag dan bietenrood zijn, zo'n gecodeerde toevoeging klinkt toch erg eng. Komt er ook nog wat statistiek en kansberekening bij kijken, dan is de strijd verloren.

Liever hoort het volk de stem des volks. Die kan onbedoeld sussend zijn. In een van de journaals opperde vorige week een mevrouw in een straatinterview dat het met de dioxinen wel meevalt als je de kipfilet maar goed doorbakt. Een misvatting die onweersproken bleef, zodat nu mogelijk half Nederland, geheel gerustgesteld, dioxinenrijke, maar wel salmonellavrije, Belgische kip eet. Het straatinterview is het grootste gevaar voor de volksgezondheid.

We moeten het ergste vrezen voor het raadgevend referendum dat de Consumentenbond heeft georganiseerd. De bond is deze maand een campagne begonnen om het Nederlandse publiek de belangrijkste voedingsthema's voor het komende millennium te laten vaststellen. Het is een deprimerend lijstje dat ze ons onder meer via Internet en Allerhande voorleggen. Nu zijn het bij de Consumentenbond nooit zorgeloze zieltjes geweest, anders houd je de strijd tegen ondeugdelijke waterbedden en malafide kerstkaartenverkopers geen honderd jaar vol.

Of wij maar even de ergste willen kiezen uit de twaalf plagen die de bond signaleert zoals vet eten, akelige bacteriën, verraderlijke vitaminen, kwalijke kleurstoffen, gemanipuleerde genen, onbegrijpelijke etiketten, resten bestrijdingsmiddelen, hormonen, dierenmishandeling en voedselallergie. En dan staan dioxinen er nog niet eens bij.

Als een van de `professioneel bij voeding betrokkenen' mocht ik bij het begin van de campagne een keuze van drie maken uit de thema's die de Consumentenbond aandraagt. Om wat tegenwicht te bieden tegen zoveel treurigheid, maar ook omdat ik het echt meen, voegde ik het thema `Lekker Eten' toe. Directeur Westendorp van de bond lachte wat schaapachtig en nam mijn suggestie niet serieus. Langzamerhand ga ik er juist steeds meer in geloven. De consument moet vooral veel te horen krijgen dat eten lekker en prettig kan zijn. Steeds de klemtoon leggen op de mogelijke schaduwzijden van eten en drinken bevordert de goede relatie tussen de consument en zijn voedsel niet. Waardering voor lekker eten leidt vaak als vanzelf tot gezonde en verantwoorde voedingsmiddelen. Wie heeft leren proeven, waardeert de pure smaken. Wie graag kookt, wil met goede producten werken. Wie echt van vlees houdt voert een koe geen beendermeel en een kip geen stookolie.