Met hebbers

Elk jaar kun je er de klok op gelijk zetten. Worden de dagen langer en de zon warmer, dan worden de knikkers tevoorschijngehaald. Eerst nog door een enkeling, maar al snel hebben alle kinderen hun knikkerzak weer teruggevonden. Tussen stoeptegels of in grasperkjes verschijnen potjes en de prefabpotjes in het trottoir worden schoongemaakt.

Kleine groepjes kinderen schuiven fanatiek met hun vingers en tasten in hun knikkerzak. De afspraken over de spelregels worden meestal al schreeuwend gemaakt, want wie het hardst roept krijgt gelijk. Het spel is tijdloos, de strategie blijft dezelfde, maar de vocabulaire wisselt per buurt en per jaargang. Op het Utrechtse Koekoeksplein schudden Jamal, Roosje en Amin de nu gangbare termen zo uit hun mouw.

Nadat is bepaald wie `eersts' of `lep' (laatst) mag, worden meestal de spelregels vastgesteld. Als er `zonder alles' wordt geknikkerd is het eenvoudig, maar wie een potje `met alles' speelt heeft heel wat hindernissen te overwinnen. Want veel regels zijn erop gericht de tegenstander dwars te zitten. De regels `zonder uithaals' en `zonder muurkets' zijn nog onschuldig. Maar alleen geharde knikkeraars zijn bestand tegen `met afleids', waarbij alles is toegestaan je tegenstander af te leiden. De combinatie `met voorlegs' en `zonder weghaals' kan ook heel effectief zijn.

Alsof dat nog niet genoeg is kun je ook een andere fysieke barrière opwerpen door `met stoplicht' (met de voet licht stampend voor de rand van de pot, zodat de knikker minder kans heeft in het potje te rollen) of `met spin' (de hand met gespreide vinders over de pot) te spelen. Maar daar zijn weer creatieve oplossingen voor verzonnen: andere spelregels, die het mogelijk maken de hindernissen te overwinnen of te omzeilen. Met `muurtje kijken' of `kraanwagen' kun je je knikker optillen en boven de pot laten vallen. Bij `met ups' mag je de knikker opwippen, `a-b-c' betekent drie keer achter elkaar schuiven. Ook heel veel kans biedt `met lopen', waarbij de knikker tussen het eerste kootje van wijs- en middelvinger wordt geklemd en de vingertoppen richting de pot wandelen, tot de knikker valt.

Niet alleen de trucs evolueren, ook de knikkers zelf veranderen in snel tempo. Natuurlijk zijn er de vertrouwde glazen knikkers met de vlinderachtige kleurtjes. Maar die zijn zo gewoon, dat ze niet eens een naam hebben. Nee, het wordt pas interessant als er kanaries, pinguïns, milky's, diamanten, spikkels, smurfen, duivels, dolfijnen of turtles te winnen zijn. Feilloos weten de kinderen op kleur en glans de verschillende soorten te benoemen. En ook de grootte is van belang, hoewel dat nogal ondoorzichtig is. Een `pinkineesje' is weliswaar de kleinste, maar telt toch voor één. Daarna komt het ééntje, die natuurlijk kleiner is dan het tweetje, maar die beide voor één tellen. Een papegaai – ter grootte van een ééntje of een tweetje – is acht knikkers waard. Een bam is tien of twintig waard – afhankelijk van de gemaakte afspraak – en een minibam iets minder. Met een keizer knikker je bijna niet, want die is honderd knikkers waard. En met de allergrootste, de bonk, speel je al helemaal niet. Uiteindelijk gaat het om de poet. En of iemand die krijgt, hangt van de spelregels af.

Spelen we met of zonder hebbers?