FOREIGN AFFAIRS

Nog niet zo lang geleden stond de hele wereld paf van de Japanse wondereconomie. Menig politicus beroemde zich er op dat Japan een soort kapitalisme had ontwikkeld waar het grofbesnaarde Anglo-Amerikaanse kapitalisme niet aan kon tippen. Dat idee is nu gereduceerd tot de notie dat de kern van Japans economische machinerie ondanks de neergang gezond en wel is, en dat enkele daadkrachtig uitgevoerde hervormingen voldoende zijn om de haperingen ongedaan te maken.

Maar omdat de inzinking maar blijft duren dringt langzamerhand ook het besef door dat de problemen groter zijn dan ze lijken, schrijven Michael Porter en Hirotaka Takeuchi in Foreign Affairs. Het veel geroemde corporatieve model is een betere verklaring voor Japans mislukkingen dan voor zijn successen. De consensus over het succes van dat model is voor het overgrote merendeel gebaseerd op de groei van een relatief klein aantal industriesectoren, waarbij de overheid het initiatief nam: halfgeleiders, machines, scheepsbouw, en staal.

Daarnaast onstond in bijna elk decennium een industriëel succes, waarbij de overheid niet het initiatief nam maar wel een ondersteunende rol speelde, bijvoorbeeld door het gebruik van faxen door ambtenaren te stimuleren of door snel in te stemmen met mondiale standaards voor de productie van faxen. In beide soorten gevallen liet de overheid het concurrentievermogen ongemoeid. In alle andere sectoren deed het overheidsdirigisme bedrijfstakken ontstaan die internationaal niet kunnen concurreren, zoals bijvoorbeeld consumentengoederen, luchtvaart, dienstverlening, chemie, en voeding.

Legale kartelvorming is een ander kernpunt van het Japanse model dat veel minder goed werkt dan doorgaans wordt aangenomen. Het merendeel van de 1379 kartels die ontstonden tussen 1973 en 1990 werden gevormd in sectoren die internationaal niet meetelden. Ook de overheidssteun aan R&D is veel minder essentieel dan men wel dacht. De gegevens over de 237 R&D-consortia die tussen 1959 en 1992 ontstonden met hulp van de overheid laten zien dat ze gelijk verdeeld zijn over de sectoren die het goed deden en de sectoren die minder goed presteerden.

Ongebreidelde concurrentie is volgens de auteurs essentieel voor het succes van een onderneming of bedrijfstak, te beginnen op de thuismarkt. Bijna alle sectoren waarin de overheid de concurrentie aan banden legt blijven achter op nationaal en internationaal niveau. Alle industriële sectoren die wel internationaal kunnen concurreren kennen op de thuismarkt scherpe concurrentie zonder regulering van de overheid, zo blijkt uit de statistische gegevens.

De belangrijkste les van de huidige neergang is daarom dat de overheid de beperking van concurrentie moet opgeven en dat er een financieel systeem moet komen dat het nemen van risico's beloont, zonder overigens het Japanse langetermijndenken in te ruilen voor het hypernerveuze Anglo-Amerikaanse financiële gedrag.

Foreign Affairs verschijnt elke twee maanden en is verkrijgbaar in de kiosk.