Europese democratie is ongeloofwaardig

De verkiezingen voor het Europees Parlement zijn een beschamende vertoning, een volwaardige democratie onwaardig. De opkomst bij verkiezingsbijeenkomsten is gênant laag, de kennis over de Europese politiek oppervlakkig en als meer dan eenderde van de Nederlandse kiezers donderdag naar de stembus gaat, is dat veel. De politieke reactie is die van `ach en wee', met een impliciet verwijt aan de kiezers en de media: zij zouden apathisch zijn en onwetend van het belang van het Europees Parlement. Een andere uitleg is dat de niet-stemmers zowel de nationale als de Europese politici laten weten dat er iets fundamenteel fout is met hun Europa. De machthebbers hebben wederom jammerlijk gefaald Europa tot leven te brengen.

Wat niet klopt is de opstelling van de politieke elite in dit land met betrekking tot Europa. Aan de ene kant hebben Lubbers en Kok ertoe bijgedragen dat Europese instellingen steeds machtiger zijn geworden, met als gevolg dat Brussel nu zo'n 40 procent van de Nederlandse wetgeving dicteert, de Europese Centrale Bank – een onafhankelijke instelling – het Nederlands monetair beleid bepaalt, en de Nederlandse samenleving door invoering van de euro ingrijpende veranderingen zal moeten ondergaan. Omdat zoveel macht naar Europa verschuift, hebben zij tevens getracht de democratie te waarborgen door de bevoegdheden van het Europees Parlement uit te breiden. Op het eerste gezicht terecht, want de toegenomen Europese macht behoeft een betere democratische controle op Europees niveau. Maar het klopt niet dat de politieke elite tegelijkertijd geen moeite doet om de Europese democratie leven in te blazen.

Want waarom stellen de grote partijen hun tweede echelon verkiesbaar? Waarom kiezen ze, op het CDA na, voor mensen zonder parlementaire of Europese ervaring? Waarom voeren ze campagne alsof het een voorlichtingscampagne is? Van echte politieke verschillen is immers geen sprake. Het verbaast dan ook niet dat de kiezers het laten afweten.

Ook sommige Europarlementariërs merken op dat Europa niet goed ligt. Ze komen veel cynisme tegen. Maar is dat verwonderlijk wanneer de ene ingrijpende maatregel na de ander afgedwongen wordt door Brussel? De euro moest er komen; de overheid moest gaan bezuinigen en het Nederlandse parlement moest bevoegdheden aan het Europees Parlement overhevelen. De trein moet door, roepen de voorstanders bij de minste of de geringste tegenstand. Welnu, als er geen alternatief is, waarom zouden de burgers dan nog stemmen?

De Europese politici onderkennen het probleem van de vervreemding van het grote deel van de burgers overigens wel. Ze laten geen gelegenheid onbenut om duidelijk te maken dat betrokkenheid van de burgers onmisbaar is voor het welslagen van hun project. Dus nemen ze maatregelen als grotere bevoegdheden voor het Europees Parlement en besteden ze grote sommen geld aan voorlichtingscampagnes. Het levert allemaal weinig op. Alsof formele bevoegdheden en informatieverstrekking voldoende zou zijn voor het functioneren van een democratie.

Ook de grote politieke partijen onderkennen in hun verkiezingscampagnes de kloof tussen Europa en de burgers. Maar hun oplossingen zijn zo mager dat we ons mogen afvragen of ze het probleem wel serieus nemen. Zouden Nederlanders echt warm lopen voor Europa als de besluitvorming in Brussel transparanter is of wanneer Europarlementariërs hun zegje mogen doen in Tweede-Kamercommissies? Zou Europa meer gaan leven als de voorzitter van de Europese Commissie gekozen wordt?

Tekenend is de achteloosheid waarmee de PvdA over Europa discussieert. Jos de Beus en Paul Scheffer probeerden die discussie onlangs aan te wakkeren in hun boek De Achteloosheid Voorbij, waarin ze stelling namen tegen de genoegzame houding van de Nederlandse politiek ten opzichte van Europa. Te gemakkelijk gaat men er volgens hen vanuit dat Nederland vooral baat heeft bij het grote Europa en dat Europa het Nederlandse poldermodel in het groot zal worden. De Beus en Scheffer wijzen daarentegen op de onvermijdelijkheid van een grotere Europese begroting (en dus een kleinere Nederlandse begroting), de kosten van de uitbreiding met Oost-Europese landen (die noodzakelijk is), en versterking van het democratisch gehalte in Europa (met verlies van Nederlandse autonomie). Al deze controversiële onderwerpen vereisen een ingrijpende politieke discussie. Maar de bijdrage van De Beus en Scheffer is achteloos terzijde gelegd. Ook bij andere grote partijen is van een open debat over Europa weinig te merken. Behalve bij GroenLinks blijven de verkiezingsprogramma's steken in algemeenheden.

De Vereniging Democratisch Europa (VDE) wil de discussie losmaken over de achteloze wijze waarop de Europese integratie het democratisch proces dreigt te ondermijnen. Hierbij tekenen zich twee richtingen af. De ene – en grootste – groep binnen de VDE, betoogt dat de democratie op Europees niveau niet ver genoeg gaat. Volgens dit standpunt is bijvoorbeeld de formatie van Europese partijen noodzakelijk om de democratische orde te verstevigen.

Een andere mogelijkheid is dat een heuse Europese democratie op dit moment onmogelijk is. Pogingen om haar te realiseren zouden gevaarlijk en daarom onwenselijk zijn. Door de verkiezingen te boycotten laat de burger dan ook weten dat de Europese democratie van dit moment ongeloofwaardig is. Een democratie die van boven af wordt opgelegd, werkt bijna nooit. En omdat Europa een `openbare ruimte' ontbeert, is de kans op een volwaardige democratie met betrokken burgers minimaal. Zogeheten democratische instellingen op Europees niveau dreigen zwevende instellingen te worden, met eigen belangen en zonder democratische controle (en met veel fraude en corruptie).

Natuurlijk zijn er zaken die alleen op Europees niveau kunnen worden opgelost; maar dat wil niet zeggen dat een Europees Parlement daartoe de meest geëigende instelling is. De democratische besluitvorming moet dan ook verstevigd worden, dicht bij de burger, dus op referenda, een sterkere lokale democratie en voorlopig handhaving van de nationale democratie. Controle op Europees niveau kan uitgeoefend worden door vertegenwoordigers van nationale parlementen in een Europese senaat en sociale organisaties in een Europees equivalent van de SER. Maak Europa tot niet meer dan het is. Door niet te stemmen of, beter nog, door de grote partijen te negeren ten gunste van de SP, de kleine christelijke partijen, of de eigenzinnige Luc Sala op lijst acht, kunnen de Nederlandse kiezers deze boodschap aan de politieke elite overbrengen.

Arjo Klamer en Olav Velthuis zijn econoom en bestuurslid van de Vereniging Democratisch Europa.