Europarlement is niet totalitair

De kritiek op het Europees Parlement is onterecht, vindt Alfred Pijpers. Het bescheiden politiek gezag, moet niet worden verward met de bijdrage aan vreedzame verhoudingen binnen Europa. Eurosceptici hebben geen redenen om de kiezers af te raden donderdag te gaan stemmen. Arjo Klamer en Olav Velthuis menen daarentegen dat de betrokkenheid van de nationale politici bij Europa zo gering is, dat de kiezer maar beter kan thuisblijven.

Een permanente grief van de Eurosceptici is het gebrekkige democratische gehalte van de Europese Unie. Het Europees Parlement is een `nepparlement', zo schrijft Dirk-Jan van Baar in HP/De Tijd; verkiezingen voor dit lichaam zijn een schijnvertoning. Ze legitimeren als het ware de voortzetting van een ondemocratisch systeem. Eurosceptische columnisten als Bart Tromp en Kees Schuyt hebben inmiddels opgeroepen om niet te gaan stemmen. Opmerkelijke adviezen, die aangeven hoe zwak de legitimiteit van de Europese instellingen is in bepaalde kringen.

Maar het valt wel mee met het democratisch tekort. Niet alleen omdat de controlerende en medewetgevende bevoegdheden van het Europees Parlement sinds de Verdragen van Maastricht en Amsterdam substantieel zijn verbeterd, maar vooral omdat de politieke gezagsuitoefening van de EU jegens de burgerij niet erg groot is, minder groot in elk geval dan vaak gedacht, beweerd of gevreesd wordt.

De macht die aan `Brussel' wordt toegedicht, neemt zo langzamerhand mythische proporties aan. Britse Eurosceptici beschouwen de EU bij voorkeur als een vanuit Berlijn gedirigeerde superstaat. De Franse gaullist en Euroscepticus Philippe Séguin noemde de Europese gedachte onlangs in Le Monde de laatst overgebleven totalitaire utopie van de 20ste eeuw. Gelukkig zijn Nederlanders wat nuchterder, maar ook bij ons bestaat bij menigeen een beeld van `Brussel' als een Byzantijns complex van raden en comités, dat door middel van een stortvloed van regels een beslissende greep heeft verkregen op de nationale samenleving. Dit beeld is onjuist.

In formeel opzicht zijn delen van de nationale en subnationale besluitvorming onmiskenbaar onderworpen aan allerlei Europese regels, maar in materieel en politiek opzicht valt dit wel mee. Het overgrote deel van de Europese regelgeving bestaat uit nogal technische voorschriften op het gebied van de landbouw, de douane-unie, de interne markt, en het milieu. Ze zijn wel belangrijk voor de betreffende sectoren, maar de meeste burgers worden er niet rechtstreeks door geraakt. Europese voorschriften wijken trouwens in wezen niet af van nationale normen, omdat de lidstaten zelf de nodige inbreng hebben bij de totstandkoming van die regels. Daar komt nog bij dat de Europese richtlijnen via nationale wetten en besluiten worden ingevoerd, en dus in de waarneming van de burgers al gauw hun Europese oorsprong verliezen. Ook de besteding van en de controle op Europese subsidies worden in belangrijke mate overgelaten aan nationale of lokale uitvoeringsinstanties.

Ook op voor de burger gevoelige gebieden als de sociale zekerheid, het onderwijs, de medische zorg, de volkshuisvesting, de infrastructuur, of de ruimtelijke ordening, heeft de EU nauwelijks zeggenschap. Cruciale beslissingen over de filebestrijding, de aanleg van de Betuwelijn, de uitbreiding van Schiphol, de aanleg van een tweede luchthaven, de bouw van 800.000 vinex-woningen, de hoeveelheid `blauw' op straat, bezuinigingen in de bejaardenzorg, of over de euthanasie, worden praktisch geheel autonoom in en door Den Haag genomen. De landbouwsector vormt echter een uitzondering: 90 procent van de regels op dit gebied wordt in Brussel vastgesteld. Maar ook hier dienen hoofd- en bijzaken uit elkaar te worden gehouden. De gewoonte bijvoorbeeld om op ons grondgebied vijftien miljoen varkens onder uiterst benarde omstandigheden vet te mesten, is voor 100 procent een Nederlandse traditie en is op geen enkele wijze door `Europa' verordonneerd. Dat Nederland zou zijn geëvolueerd tot een semi-soevereine staat is in de juridische zin wel juist, maar niet in de historische-staatkundige zin.

Diverse maatschappelijke problemen in Nederland zijn dan ook niet ontstaan door Europese regel- en bemoeizucht, maar juist door de afwezigheid ervan. Dat geldt bijvoorbeeld voor het asielzoekersvraagstuk, dat – mede door ons ruimhartige nationale toelatingsbeleid – op Europees niveau niet goed van de grond komt.

In de beeldvorming over de macht van `Europa' wordt onvoldoende onderscheid gemaakt tussen allerlei internationale krachten die op Nederland inwerken, en de invloed van de EU als zodanig. Veel veranderingen die zich de afgelopen decennia in de Nederlandse samenleving hebben voltrokken, zijn het gevolg van technische vooruitgang, modernisering, en welvaartsgroei. Zij hebben zich in vrijwel dezelfde mate voorgedaan in landen als Noorwegen of Zwitserland, die geen EU-lid zijn. Stel dat Nederland indertijd niet was toegetreden tot de Europese Gemeenschap, maar laat ons zeggen tot de Europese Vrijhandelsassociatie, zou onze samenleving er dan wezenlijk anders hebben uitgezien dan nu het geval is ?

In dit verband dient niet vergeten te worden dat ondanks de gestage expansie van de Europese bevoegdheden, de EU als zodanig nauwelijks handelingen verricht op de klassieke gebieden van de staatsmacht, zoals de belastingheffing, de militaire gezagsuitoefening (met inbegrip van de dienstplicht), de politie en het gevangeniswezen. Juist door deze kerntaken heeft de nationale staat in de loop der geschiedenis legitimiteit verworven. Als Europese ambtenaren beslissingen zouden mogen nemen over het sluiten van coffeeshops of het invoeren van rekeningrijden, zouden klachten over gebrek aan legitimiteit (en het gezeur over reisdeclaraties) vanzelf verstommen.

De invloed van de EU op de Nederlandse samenleving wordt dus overschat. Dat kiezers slechts matige belangstelling hebben voor de wetgevende arbeid in Brussel en Straatsburg is op zichzelf best begrijpelijk, evenals een betrekkelijk lage opkomst bij Europese verkiezingen. De hardnekkige pogingen van de Europese instellingen om de ,,burgers dichter bij het Europese bestuur'' te brengen, berusten op een misverstand. Burgers hoeven namelijk niet zo nodig dichtbij hun bestuurders te verkeren, zeker niet in het Europese geval. De burgerij heeft geen last van enigerlei democratisch tekort, maar van het feit dat de EU en haar instellingen zich trachten te tooien met de veren van een volwaardige rechtsstaat (zoals rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement, een Europees burgerschap, Europese grondrechten, en straks wellicht ook nog een Europese grondwet), zonder over de botten en het vlees van zo'n staat te beschikken. Verkiezingen zijn onder zulke omstandigheden inderdaad minder interessant dan in de nationale context, maar om daar nu nadrukkelijk de conclusie aan te verbinden dat stemmen voor het Europees Parlement niet hoeft gaat wel erg ver. Het bescheiden politieke gezag van de EU dient namelijk niet verward te worden met haar aanzienlijke historische bijdrage aan de vreedzame verhoudingen en de stabiliteit in West-Europa. Stel dat het echt rustig wordt op de Balkan, en stel dat ook daar een welvarende en vreedzame economische gemeenschap wordt gecreëerd, compleet met een federaal parlement, en op den duur ook met rechtstreekse verkiezingen. Gaan de Eurosceptici dan ook weer oproepen om niet te gaan stemmen?

Alfred Pijpers is als gastonderzoeker verbonden aan het Instituut Clingendael in Den Haag.