`Doorstroming in cultuur moet groter'

Staatssecretaris Van der Ploeg van Cultuur introduceert drie nieuwe criteria waarop culturele instellingen, naast kwaliteit, zullen worden beoordeeld wanneer zij subsidie aanvragen. Hij hoopt daarmee te zorgen voor ,,een flinke doorstroming'' in de gesubsidieerde cultuur.

Dit schrijft Van der Ploeg in zijn vandaag verschenen `uitgangspuntenbrief'. Naar deze brief, waarin Van der Ploeg al zijn eerder genoemde ideeën opsomt en nader uitwerkt, is door culturele instellingen met veel belangstelling uitgezien omdat hij moet dienen als basis voor de verdeling van subsidies voor de periode 2001-2004.

Het eerste nieuwe criterium voor subsidie-aanvragen dat Van der Ploeg introduceert is `maatschappelijk bereik': instellingen moeten hun best doen om een breed, divers publiek te trekken. Van der Ploeg eist dat ze tenminste drie procent van hun budget besteden aan activiteiten voor `nieuwe publieksgroepen' (met name jongeren en allochtonen). Doen ze dat niet, dan wordt drie procent van hun subsidie ingehouden. Verder wil Van der Ploeg de al bestaande regel aanscherpen dat instellingen moeten zorgen voor vijftien procent eigen inkomsten. Alleen recettes en entreegelden tellen daar voortaan nog voor mee, sponsorgelden bijvoorbeeld niet meer.

Als tweede nieuwe criterium noemt Van der Ploeg de `subsidie-per-bezoek': het bedrag dat het de overheid kost wanneer iemand naar een voorstellingen of tentoonstelling gaat (in het theater bijvoorbeeld gemiddeld negentig gulden). ,,Een instelling die per bezoek anderhalf keer zo duur is als het gemiddelde in haar sector, heeft een grote bewijslast om de gevraagde subsidie te motiveren'', schrijft Van der Ploeg.

Ten slotte wil de staatsecretaris dat instellingen duidelijk aangeven wat hun doelstellingen (bijvoorbeeld experimenteren of een breed publiek trekken) zijn. Een orkest zou bijvoorbeeld aanspraak op subsidie kunnen maken, niet louter op basis van kwaliteit, maar omdat het belooft meer Nederlandse of moderne muziek te spelen.

De `brief' van Van der Ploeg is uitgegeven in de vorm van een handzaam boekje dat tachtig pagina's telt. Links staat de tekst, rechts staan foto's van twee handen, die toebehoren aan verschillende personen (jong, oud, man, vrouw, blank, zwart). Als je snel bladert, is het alsof je een filmpje ziet van iemand die in zijn handen klapt.

De wensen van het publiek, analyseert Van der Ploeg, zijn in het kunstbeleid van de afgelopen decennia ten onrechte veronachtzaamd. Kunstenaars hebben zich te veel bekommerd om zichzelf, en zijn subsidies gaan beschouwen als iets waar ze vanzelfsprekend recht op hebben. Voor vernieuwing is geen ruimte, omdat niemand zijn rechten wil opgeven en er ook altijd wel argumenten voor vindt om die te mogen houden. De verdeling van de subsidies, elke vier jaar, is daardoor een rituele dans geworden. Cultuur is daardoor iets geworden voor een wel heel kleine groep mensen. Van der Ploeg: ,,Ging in het begin van de jaren zestig nog tien procent van de bevolking wel eens naar het gesubsidieerde beroepstoneel, nu is dat drie procent.''

Om ,,het beste populair (te) maken en het populaire beter'' trekt Van der Ploeg een bedrag uit van 131 miljoen gulden. Dat is onder andere bedoeld om de programmeringsbudgetten van podia te verhogen en voor maatregelen om jongeren en allochtonen te stimuleren (samen 75 miljoen gulden). Musea krijgen 26 miljoen gulden om ervoor te zorgen dat ze meer kunnen laten zien van de vele voorwerpen die liggen opgeslagen in depots. Om het aanbod van musea te verbeteren stelt Van der Ploeg verder voor ,,het taboe'' op het verkopen van kunst op te heffen, wanneer het geld dat dat oplevert wordt gebruikt om de collectie te verbeteren.