China moet vonnis 1989 intrekken

Tien jaar na het onderdrukken van het studentenprotest op het Plein van de Hemelse Vrede heeft de Chinese regering nog altijd geen verantwoording afgelegd voor haar optreden van toen. Xiao Qiang meent dat dit de vreedzame overgang van het systeem bedreigt.

Tien jaar zijn voorbij sinds de schokkende beelden van het bloedbad in Peking mij inspireerden tot een nieuw leven als mensenrechtenactivist. Het brute optreden van de regering toen en mijn ervaringen sindsdien hebben mij ervan overtuigd dat zolang er geen afdoende verantwoording over die misdaden is afgelegd de toekomst van China onzeker blijft.

Een dag nadat ik in 1989 in de Verenigde Staten op de televisie had gezien wat er op het Plein van de Hemelse Vrede gaande was, ben ik met het eerstvolgende vliegtuig naar China teruggegaan. Twee maanden lang, in een tijd van terreur, probeerde ik erachter te komen wat er was gebeurd; ik ontliep de politie, maakte contact met onderduikers en bezorgde geld dat in het buitenland was bijeengebracht voor de slachtoffers en hun familie. Ik keerde van deze reis terug met één simpele overtuiging: mensen kun je afslachten, maar hun verlangen naar vrijheid niet.

Tijdens de vreedzame demonstraties van 1989 snoven miljoenen Chinezen de prikkelende geur van de politieke vrijheid op en kregen zij nieuwe hoop op een stem in het openbare leven van hun land. Maar de regering merkte deze geheel geweldloze beweging aan als `contrarevolutionaire rebellie', om zo haar brute ingreep te rechtvaardigen en duidelijk te verstaan te geven dat er geen sprake zou zijn van politieke liberalisering.

Sommigen beweren nu dat China sindsdien in ontwikkeling is: de economie is gegroeid, de levensstandaard gestegen en de staat bemoeit zich minder met het dagelijks leven van zijn burgers. Maar zij gaan voorbij aan het feit dat de huidige problemen in China's ontwikkeling veelal rechtstreeks verband houden met het gebrek aan politieke verantwoording en openheid. De Chinese regering houdt nog altijd staande dat zowel de beweging van het Plein van de Hemelse Vrede als het invoeren van democratie zou leiden tot politieke opschudding en desintegratie van het land. `Stabiliteit voor alles', luidt het devies. Maar stabiliteit gegrondvest op onderdrukking is als een huis gebouwd op een werkzame vulkaan.

Op de retoriek na heeft de Chinese Communistische Partij het marxisme verlaten, en ze heeft geen alternatieve visie op de toekomst van het land. Al haar kaarten heeft ze gezet op het voortduren van de economische groei als rechtvaardiging voor haar repressieve `stabiliteit'. Maar elke economische teruggang zal dit dwangverbond met de samenleving in de waagschaal stellen.

Zo heeft de regering geen passend antwoord op de recente toename van spontane betogingen door ontslagen arbeiders, verarmde boeren of ontevreden leden van religieuze sekten. Met het aanwakkeren van xenofobisch nationalisme na het recente bombardement op de Chinese ambassade in Belgrado toont de regering alleen maar haar volstrekte onzekerheid, die ook tot uiting komt in de onderdrukking van andersdenkenden.

Wie zich de kracht van het reveil in 1989 herinnert, zal inzien hoe cruciaal het is dat elan levend te houden, wil China de huidige periode van overgang vreedzaam doorkomen. Daarom is het essentieel dat het officiële `vonnis' over de protestbeweging wordt ingetrokken. De erkenning door de Chinese regering dat het bloedbad in 1989 een misdaad tegen het Chinese volk was, moet een eerste stap zijn op de weg naar rechtvaardigheid, nationale verzoening en echte stabiliteit.

Concreet houdt intrekking van dit vonnis het volgende in. Ten eerste moet de regering openlijk verklaren dat de demonstraties van 1989 geen `contrarevolutionaire rebellie' waren. Ten tweede moeten de duizenden politieke gevangenen die nog in Chinese werkkampen zitten wegens `misdaden' in verband met de democratische beweging van 1989 worden vrijgelaten. Ten derde moet de Chinese regering officiële excuses aanbieden aan de omgekomen slachtoffers en de gewonden en aan hun families, en hun een gepaste schadeloosstelling aanbieden. Ten vierde moet de Chinese regering honderden politieke ballingen toestaan naar hun eigen land terug te keren.

En ten slotte moet er een onafhankelijk straftribunaal worden ingesteld dat het bloedbad van de vierde juni gaat onderzoeken. Degenen die als verantwoordelijken voor de moorden en andere wreedheden worden aangewezen, onder wie ex-premier Li Peng, moeten in staat van beschuldiging worden gesteld en worden berecht zonder beroep op onschendbaarheid.

Deze maatregelen zijn niet eenvoudig. Ze vereisen een moedige politieke visie, die verder kijkt dan de belangen van regerende cliques en het oog richt op de toekomst van de Chinese natie. Maar pas na herroeping van het vonnis kan een nieuwe politieke top in China beginnen de morele legitimiteit van het openbaar bestuur te herstellen die in 1989 in bloed is gesmoord. Dat is het enig mogelijke startpunt van een hoognodige politieke hervorming zonder welke China niet als een waarlijk grote natie en een verantwoordelijk lid van de internationale gemeenschap de 21ste eeuw kan ingaan.

Het studentenprotest op het Plein van de Hemelse Vrede en zijn elan zijn van mondiale betekenis. De herroeping van het vonnis van 4 juni 1989 zal niet alleen een mijlpaal zijn op de weg naar de vestiging van democratie, waar de mensenrechten en de rechtsstaat worden geëerbiedigd, maar ook een mondiale overwinning voor vrede en rechtvaardigheid.

Xiao Qiang is directeur van Human Rights in China, en leeft in ballingschap.