Snelle hervorming Duitse economie moet euro helpen

De euro heeft de afgelopen maanden zo'n 10 procent van zijn waarde verloren. Nieuwe dieptepunten zijn te voorkomen als de Duitse economie drastisch wordt hervormd, vindt Oliver Schumacher. Want ook Duitsland heeft schuld aan de huidige crisis.

De door oorlog geplaagde Europeanen, de Duitse EU-voorzitter Gerhard Schröder voorop, hadden het zich zo heel anders voorgesteld. Na het compromis over het landbouwbeleid, en met de crisis rond de Europese Commissie zo'n beetje achter de rug, wilden Schröder, Chirac en hun partners op de EU-top in Keulen een economisch krachtig werelddeel presenteren. Maar vlak voor de topbijeenkomst van afgelopen donderdag en vrijdag kwam het paradepaardje van de EU, de monetaire unie, in opspraak, want de euro blijft maar dalen. Tegenover de dollar heeft de munt sinds de officiële start op 4 januari zo'n 10 procent aan waarde verloren. Zelfs vergeleken met het door een recessie geteisterde Britse pond slaat de nieuwe munteenheid een nogal pover figuur. Schröder, die de euro vroeger wel smalend een `kwakkelend couveusekindje' heeft genoemd, staat dan ook voor een nieuwe beproeving.

Anders dan de bondskanselier steekt de onverminderd talrijke schare der eurosceptici zijn leedvermaak niet onder stoelen of banken: hadden de critici niet gewaarschuwd dat het project op een wankele basis rust? Hadden zij niet geadviseerd om Italië buiten de deur te houden? Vijf maanden zijn er verstreken, en nu al mag de regering in Rome haar begrotingstekort naar boven bijstellen: voor 1999 van 2,0 naar 2,4 procent, met uitdrukkelijk goedvinden van de EU-partners. Een heilloos signaal, zo klinkt het van Lissabon tot Frankfurt luid door heel Europa. Ernst Welteke, die Tietmeyer als hoofd van de Bundesbank gaat opvolgen, fronst zijn voorhoofd; de machtigen op de internationale valutamarkt wijzen met de duim omlaag. Niet alleen pessimisten verwachten op afzienbare termijn nieuwe dieptepunten; velen voorspellen zelfs dat de euro weldra voor een dollar of minder te krijgen zal zijn. Een week geleden was hij nog net 1,04 dollar waard.

De euforie van de eerste eurodagen is vervlogen. Eens himmelhoch jauchzend, nu zum Tode betrübt. De financiële wereld overdrijft graag, zoals nu de Europeanen ondervinden. Daarbij is de val van hun munt voornamelijk een psychologisch probleem. Economisch gezien is het geen ramp dat de waarde van de euro tegenover de buitenwereld afbrokkelt: de prijzen in euroland zijn en blijven stabiel, niemand behoeft te vrezen dat er inflatie zal worden geïmporteerd. Hoewel de invoer van producten als aardolie – die in dollars moeten worden betaald – duurder wordt, zullen de consumentenprijzen per saldo niet of slechts in geringe mate stijgen.

Wim Duisenberg, de president van de Europese Centrale Bank, heeft terecht opgemerkt dat wij op het ogenblik niet zozeer te maken hebben met een zwakke euro als wel met een sterke dollar. Terwijl aan de Amerikaanse hoogconjunctuur geen einde lijkt te komen, zwalkt de Europese conjunctuur maar voort. Vroeger of later vinden zulke economische verschillen hun afspiegeling in de wisselkoers, zeker gezien de veel hogere rentestand in de VS, waardoor internationale beleggers daar een veel hoger rendement op hun spaargeld krijgen dan bij ons. Iedereen verwacht dat de Amerikaanse Federal Reserve binnenkort de rente verhoogt en daarmee zijn munt nóg aantrekkelijker maakt. Met hun onverwachts grote renteverlaging hebben de eurobankiers onlangs het tegenovergestelde gedaan. Kortom, tegen de dollar valt op het moment niets te beginnen.

Nieuw is dat verschijnsel niet. Ook de goede oude mark heeft niet altijd aan zulke inzinkingen kunnen ontkomen. In augustus 1997, dus nog geen twee jaar geleden, stond de dollar al op 1,89 mark; begin vorige week was dat 1,87 mark. En ook vorig jaar heeft de Amerikaanse munt maandenlang boven de 1,80 mark gestaan. In het snelle leven aan de beurs raken de cijfers van gisteren rap in vergetelheid.

Dat neemt niet weg dat de Europeanen geen reden hebben om zich op de borst te kloppen. Juist de Duitse hoofdonderwijzers staan er lelijk op. Talloze malen hebben zij, voor de euro van start ging, met opgeheven vinger de economisch zwakker geachte buren de les gelezen. Men herinnert zich het absurde drie-komma-nul-debat over de nationale begrotingstekorten, door Germanen van alle partijen op apodictische toon gevoerd. En nu, o ironie, zijn de Duitsers samen met de Italianen in trieste eendracht de hekkensluiters in Euroland – met kwalijke gevolgen, aangezien zij samen bijna de helft van de totale economie van de elf eurostaten voor hun rekening nemen.

Niet de Portugezen, de Spanjaarden, de Ieren of de Fransen trekken op dit moment de waarde van de gemeenschappelijke munt omlaag, nee, dat doen in de eerste plaats de Duitsers: hun groeicijfers zijn miserabel, en de vage, soms zelfs chaotische economische koers van de bondsregering geeft weinig aanleiding tot hoop op betere tijden. De cijfers van het eerste halfjaar van 1999 liegen er niet om: de internationale geldstromen gaan meer en meer aan de Bondsrepubliek voorbij, de speculanten op de deviezenmarkten zijn onverbiddelijk. Op den duur zal de bondskanselier het oordeel van de mondiale financiële goochelaars niet kunnen blijven negeren. Of men het nu leuk vindt of niet: hier is het primaat van de markt over de politiek werkelijkheid geworden.

De uitweg is gemakkelijk aan te wijzen, maar moeilijk te realiseren: Schröders kabinet moet in binnen- en buitenland aannemelijk maken dat het tot offers bereid is om Duitsland als vestigingsplaats toekomstbestendig te maken, zoals de concurrentie dat allang doet. Hetzij naar het voorbeeld van het Nederlandse consensusmodel, hetzij volgens de ruigere variant van het kapitalisme à la Blair. Maar wat de rood-groene coalitie nu eigenlijk wil, blijft onduidelijk. Nu eens – met het telkens weer geroemde werkgelegenheidspact – een snufje Rijnlands kapitalisme, dan weer – met de beloofde harde bezuinigingskoers – een vleugje neoliberale stabiliteitspolitiek. Zo wordt de sanering van de overheidsfinanciën dé grote vuurproef. Faalt de oerdegelijke minister van Financiën Hans Eichel met zijn hooggegrepen besparingsplannen, omdat niet al zijn collega's bereid zijn te bezuinigen? Moet hij dan toch de belastingen verhogen, om enerzijds de begroting te ontlasten en anderzijds de hervormingsplannen te financieren? Dat zou het begin van het einde betekenen voor Schröders kanselierschap.

Maar ook als het Eichel meezit, zal het nog jaren duren voordat de vruchten van zijn schrappen en korten kunnen worden geplukt. Daarentegen zou de euro met een serieus bezuinigings- en hervormingsprogramma binnen enkele maanden kunnen worden geholpen. Daarbij zou de kanselier noch over instemming van zijn Europese buren noch over welgezindheid van Amerikaanse zijde te klagen hebben. Want bij al hun successen hebben de VS één probleem: het land leeft, zoals een reusachtig tekort op de betalingsbalans aantoont, boven zijn stand. Door de sterke dollar, die de export duurder maakt, wordt dat gat alleen maar groter. President Bill Clinton en de Federal Reserve mogen dan een beleid van heilzame verwaarlozing voorwenden – zo doen zij alsof de koers ten opzichte van bijvoorbeeld de euro hun onverschillig is –, op de langen duur kan ook de enige supermogendheid de realiteit niet negeren. Een al te sterke dollar is niet in het belang van de Verenigde Staten. Wat dat betreft zijn de vooruitzichten voor de euro tenminste niet al te ongunstig.

Oliver Schumacher is redacteur van Die Zeit. © Die Zeit