LEVEN VOOR VOETBAL EN MUZIEK

Voetbal leeft overal in Brazilië. Aan de voet van het beeldje van Pelé, op de tribune van het stadion van Fonte Nova, in de cafés van Salvador en op het eiland van Vampeta. Nergens kunnen voetbal en muziek zonder elkaar.

Even buiten het Estadio Otavio Mangabeira van Salvador staat Edson Arantes do Nascimento vereeuwigd in brons. Hij is klein en nauwelijks te vinden tussen de geparkeerde auto's. Wie niet op zoek is naar het voetbalwonder van de eeuw zal hem niet gauw vinden. Hij is nog een jongen, met een nog jeugdig gezicht, hij heeft de wereldbeker boven zijn hoofd getild en kijkt uit over de straatjes rondom het stadion. Honderden voetbalshirtjes van Braziliaanse clubs hangen als koopwaar aan waslijnen te midden van pinda- en limonadekraampjes. Niemand schenkt aandacht aan het beeldje van de koning van het sambavoetbal. Pelé, wie was dat ook al weer?

Aan de voet van het beeldje slaapt een rasta-man met ontbloot bovenlijf. Hij heeft geen schoenen aan, hij draagt alleen een kleurige wollen muts en een vale gescheurde broek. Wanneer hij wordt gestoord in zijn roes, draait hij zijn hoofd om, krabt in zijn vlassige baardje, wijst omhoog en roept: ,,Pelé!'' Hij staat op, maakt een buiging naar de koning en maakt een dansje.

Een ogenschijnlijk vergeten held op een talud hoog boven het immense stadion van Salvador. Pelé mag dan in zijn eigen land en ver daarbuiten vergeleken zijn met God, in faam moet hij het momenteel afleggen tegen Gilberto Gil, de populairste vertolker van de samba en de bossa nova. Wanneer op zaterdagavond de nationale elftallen van Brazilië en Nederland aantreden in het stadion van Salvador, wordt Gil op de perstribune bedolven onder camera's en microfoons.

Zelfs tijdens de wedstrijd houden Brazilianen niet op hem te vragen naar zijn liefde voor voetbal en zijn vriendschap met Ronaldo en Romario, de grote afwezigen van deze avond. Hij had graag zijn grote held Pelé in de armen gesloten, zegt hij. Maar ook Pelé is er niet. Hij heeft het te druk met de financiële sanering van het door schuldenlasten geplaagde Braziliaanse voetbal.

Muziek en voetbal horen in Brazilië bij elkaar. Dansende en zingende mensen in voetbalshirts van Flamengo, Vasco da Gama, Palmeiras, Corinthians en Botafogo vullen de straten – ook als er niet wordt gevoetbald. Achter in de bussen van Salvador, de eeuwenoude stad aan de noordoostkust, staan meisjes te heupwiegen op de klanken en het ritme van opwindende muziek. Op de boot naar het eiland Itaparica, een uur varen van Salvador, klinkt luie muziek. In de bus naar het stadje Nazaré, een uur van de haven van het eiland, klinkt dezelfde muziek. Aan de lantaarnpalen van Nazaré hangen luidsprekers. Swingende muziek klinkt door de straten, waar armoe en rijkdom broederlijk met elkaar om lijken te gaan. Muziek galmt over de talrijke voetbalveldjes. Altijd muziek.

Nazaré is het geboortestadje van Marcos Vampeta, beter bekend als Vampeta, ofwel de vampier. Hij voetbalde een paar jaar bij PSV. In het eerste jaar werd hij uitgeleend aan VVV. Hij werd een miskoop genoemd. Er moest een andere, betere Vampeta zijn. In het tweede jaar speelde hij toch voor PSV, als rechtsback. Ineens bleek hij een heerlijke voetballer, een speler met onvoorspelbare acties en een groot gebrek aan verdedigerstalent. Vampeta kon niet wennen in Nederland, PSV niet aan hem. Vampeta ging terug naar Brazilië en is nu met een andere ex-PSV'er, Romario, de held van het Braziliaanse voetbal: Vampeta bij de op één na populairste club van het land, Corinthians, Romario bij de veruit populairste club, Flamengo uit Rio de Janeiro.

Vlakbij het busstation van Nazaré, in een zijstraat van de hoofdweg van het eiland, staat een in prachtige gele, groene en rode kleuren beschilderd huisje. Aan de gevel staat Fundacao Sao Roque. Het blijkt een schooltje met geestelijke gehandicapte kinderen. Bij binnenkomst steken de kinderen hun handen uit, ze graaien naar mijn handen en ze strelen mijn handen. In de hoek zit een jongen te tekenen. Wanneer hij ons ziet, roept hij slissend: ,,Vampeta, Vampeta!'' Sinds een maand geeft de voetballer geld aan dit schooltje. Aan de muur hangt een elftalfoto met Vampeta van Corinthians, een club uit Sao Paulo, een grote stad, duizenden kilometers van het eiland. Naast de foto een tekst met Psalm 23: de Heer is mijn herder.

Als we weer op straat staan, fietst een jongen op een mountainbike voorbij. Hij draagt een PSV-shirt. We vragen hem naar Vampeta en hij begint te stralen. Hij wijst ons de weg naar de Cinema Rio Branco, want dat is ons reisdoel. Achter een schutting waarop met grote letters Marcos André Batista Santos-Vampeta staat geschreven, staat een vervallen theater met een groen beschilderde gevel. Eens zonder twijfel een fraai bouwwerk, nu zowat een ruïne. Op een bord staat geschilderd dat het theater in 1923 is gebouwd en dat de restauratie in 1999 voltooid moet zijn.

Het is een indrukwekkend bouwwerk. Houten stoeltjes worden bijgeschuurd en gerepareerd, de houten balustrades worden bijgewerkt en de muren worden opnieuw in pastelkleuren geverfd. Jonge jongens werken zwetend op de klanken van swingende muziek. Vampeta heeft deze bioscoop gekocht en zorgt er voor dat de stedelingen van Nazaré weer naar de film kunnen. Vampeta wil er een cultureel centrum van maken, met film, theater, muziek en dans. Een jongen legt zijn schuurpapier neer en zegt iets in een mengeling van Portugees en Spaans om duidelijk te maken dat Vampeta een goed mens is.

De wortels van deze grillige voetballer met een grillige loopbaan liggen onmiskenbaar in Nazaré. Af en toe fietsen jongens voorbij in PSV-shirt. Misschien wel een geschenk van Vampeta. Misschien wel broers van Vampeta. Als we het huis naderen van Vampeta's oma, worden we omringd door een legertje jongens. Ze wijzen naar de stoep voor het huis, waarop de Braziliaanse vlag is geschilderd. Op een muur van een kamertje is een grote schildering gemaakt met het portret van de beroemde kleinzoon in de shirts van alle clubs waarvoor hij heeft gespeeld. Op de wc-deur is een sticker van PSV geplakt. Oma begrijpt niets van deze belangstelling. Ze houdt mijn hand vast, streelt mijn rug en wijst op de foto's van al haar kinderen en kleinkinderen. In een hoek ligt een peuter in zijn kinderstoeltje met zijn gezicht naar de televisie. Het kind heeft een bal in zijn handen en kijkt naar teletubbies.

De terugreis van Nazaré naar de haven van Itaparica in een volgeladen Volkswagenbusje is overweldigend. Harde muziek verdringt het notoire geronk van de motor. Mannen praten niet over voetbal, ze praten over voetbaluitslagen: Brazil-Holanda 2-0 of Brazil-Holanda 2-2. Het busje is vol, maar als een vrouw met een baby instapt moet iedereen plaatsmaken. De baby krijgt een plaatsje op mijn schoot en valt in slaap, net als haar moeder. De conducteur van het busje lacht vertederd. Hij maakt met zijn armen een wiegende beweging, roept heel zacht tegen mij: góóóól.

Salvador, de havenstad waarin de sporen van de Portugese en Spaanse overheersing nog duidelijk aanwezig zijn, leeft vooral in de avond. Dan trekken de liefhebbers van muziek en dans naar Pelourinho, de oude stad op de rots. Muziek is alleen opwindend wanneer ze hard klinkt. Iedereen swingt, de één draagt een shirt met een beeltenis van Bob Marley, anderen dragen een voetbalshirt van Flamengo of van Bahia. Ook de meisjes. Zij dragen bij voorkeur een heel kort voetbalshirt, zodat de navel zichtbaar blijft.

Ook in de oude binnenstad leeft voetbal. In de eethuisjes, in de cafés, op de terrasjes, op de hobbelige straatjes. Niet als nuchtere wetenschap of als een manier om zo effectief mogelijk de tegenstander te verslaan. Niet als topsport. Ook niet als religie, ook niet als een vlucht uit het gewone leven. Voetbal is net als muziek en dans. Het is een manier om dichtbij het gevoel te komen.