Gulzig als een tijger

Onverstoorbaar leek hij. Onverstoorbaar stond hij in het achterveld van de tennisbaan en sloeg hij met ogenschijnlijk gemak de bal terug over het net. Hard en secuur, de tegenstander achterlatend in wanhoop. Nooit leek hij moe te worden. Altijd bleef hij kalm, zijn geest in harmonie met zijn lichaam. Zo was Björn Borg, zo was Borg al op zeer jonge leeftijd. Zou hij zo blijven?

Nauwelijks vijftien jaar oud was de Zweedse jongen toen hij al met de nationale tennisploeg de Davis Cup won. Hij kreeg schouderklopjes, werd omhelsd en gejonast. Zijn ploeggenoten en coaches konden er niet genoeg van krijgen de kleine Björn te verwarmen met hun bewondering. Toen al was hun duidelijk: hij zou een grote tennisspeler worden. Wie zo koelbloedig gebruik maakt van zijn talent, zou het ver kunnen brengen.

Twee jaar jaar later won hij het tennistoernooi van Roland Garros. Zes keer was Borg in Parijs de beste. Wimbledon won hij vijf keer. Fascinerend waren de gevechten van de onverstoorbare Borg tegen explosieve geesten als McEnroe en Connors. Wanneer de gevechten lang duurden, was Borg op zijn best. Heel lang en beheerst bleef hij met zijn kleine, houten racket de bal de bal langs McEnroe en Connors slaan. Tot razernij van de Amerikanen, tot verbazing van de toeschouwers.

Fraai waren de beelden van Borg toen hij voor de eerste keer Wimbledon won. Hij viel op zijn knieën, sloeg zijn handen ten hemel en vervolgens ineen alsof hij God of wie dan ook wilde bedanken. Emoties kon hij dus ook tonen. Zowaar meer uiting van emotie dan de lichte glimlach die wel eens op zijn gezicht verscheen. Een jonge man met de lange haren van een bloemenkind dat liever mediteert dan zich uitslooft, leek hij. Maar ook een jonge man met de gulzigheid van een tijger die alles wat naar mensenvlees ruikt met huid en haar wil opvreten.

Was Borg zo koel, kalm en beheerst? Waarschijnlijk niet. Maar wie als jongen al het woord ice op zijn voorhoofd krijgt gebrand, blijft ice. Zo ijzig kalm was hij niet. Want omringd door blèrende Amerikanen was hij op het toernooi van New York nooit zichzelf. Hij haatte druktemakers. Hij had dus gevoel, hij was een mens.

Behalve haat voelde hij ook liefde. Voor een Roemeense tennisspeelster, voor een Italiaanse zangeres, en wel voor meer vrouwen. Maar wat nu echte liefde was, wist hij niet meer na al die onzuivere liefdesbetuigingen en bewonderingen die de tenniswereld over hem heenstortte. Wie was echt? Was hij wel echt? Hij was 25 jaar toen hij zijn racket wegsmeet. Moe en verward door het leven. Hij zocht naar andere manier om zich te uiten. Hij verbond zijn naam aan after shave en onderbroeken. Wat een mens niet allemaal bedenkt om zijn leven zin te geven.

Borg was geen zakenman, hij was en bleef slechts een uithangbord. Eerst als tennisspeler, toen als zakenman en ook als dressman. Zo goed de buitenkant toonde, zo verstrooid was de binnenkant. Cocaïne hield hem buiten de harde werkelijkheid. Zijn zaken gingen failliet, Borg ging failliet. Al ruim in de dertig nam hij zijn toevlucht tot tennis. Maar oude liefde is niet meer de ware liefde. Met zijn houten racket was hij kansloos geworden tegen de nieuwe tennishelden. De oude Borg was niet meer de jonge Borg.

Het gaat Borg tegenwoordig goed. Gelukkig maar. Onlangs werd hij uitgeroepen tot de beste tennisspeler van deze eeuw. Toen hij ervan hoorde moet hij zijn gezicht in een lichte glimlach hebben geplooid. Wat hij toen dacht en voelde zullen weinigen weten. Misschien dacht hij wel: so what?