Een fluweelzacht zanger

The velvet fog werd hij genoemd, de zaterdag in Los Angeles aan een beroerte overleden zanger Mel Tormé. Hij dankte die bijnaam aan het gevoileerde en opvallend lichte geluid waarmee hij halverwege de jaren veertig doorbrak.

De uit Russisch-Joodse ouders geboren Tormé had toen al een carrière achter de rug. Op zijn vierde zong hij wekelijks voor de radio bij het dansorkest van Coon-Sanders. Gage: 15 dollar plus een maaltijd voor hem en zijn ouders. Met negen jaar is hij een veelgevraagde hoorspel-acteur en op zijn dertiende begint hij liedjes te schrijven en te arrangeren. Zijn Lament to Love wordt tot een hit gemaakt door het orkest van Harry James. In '42 toert hij rond als drummer in de band van comedian Chico Marx en in '43 heeft hij een rolletje in de musical speelfilm Higher and Higher naast de exact tien jaar oudere Frank Sinatra, op wie hij zijn leven lang jaloers zal blijven.

Tussen '45 en '55 scoorde hij als zanger een handvol hits, met zijn vocal group de Mel-Tones, alleen of in duetten met anderen, zoals Bing Crosby en Peggy Lee. Zijn mooiste platen maakte hij echter in de vijf jaar daarna, toen hij bij het jonge label Verve de beste orkesten achter zich kreeg. Met name het met westcoast-jazztalent gevulde Dek-Tette van arrangeur Marty Paich bleek een ideaal vehikel om zijn soepele fraseringen te dragen. Zijn stem was als een kledingstuk dat je niet voelde maar toch beschermde zowel op een A Foggy Day in Londen als een Gloomy Sunday in L. A.

Met de opkomst van de rockmuziek in de jaren '60 raakte Tormé net als veel andere crooners uit de mode, maar in de decennia daarna kreeg hij weer volop erkenning. In '76 won hij een Edison en in '83 en '84 kreeg hij Grammy's uitgereikt voor cd's op het label Concord, waarvoor hij tot zijn dood bleef zingen, vaak begeleid door pianist George Shearing. Hoewel hij dus `splattered with luck' was, zoals hij in '89 schreef in zijn autobiografie It wasn't ALL velvet, overheerst de ontevredenheid dat hij nooit het succes van Frank Sinatra bereikte.

Toen hij op 5 juli 1990 in het Amsterdamse Carré verscheen voor een `Tribute to Sarah Vaughan' was direct duidelijk waaraan dat lag. ,,Een kleine, gezette man in een blauwe blazer en een grijze broek, een saaiere podiumverschijning dan Mel Tormé is nauwelijks denkbaar'', herlees ik in mijn recensie van destijds. Maar ook dat zijn stem `wonderlijk jeugdig, soepel en verleidelijk' klonk. Als toegift zong hij Misty, een passende keus voor een velvet fog.

De als wonderkind begonnen Mel Tormé zong zijn leven lang fraai en niet zonder succes maar had natuurlijk kunnen weten dat `tough guys' als Sinatra beter pasten in het rauwe Amerika. Want al koesterde hij nadrukkelijk `mannelijke' hobby's — sportvliegtuigen, wapens en echtgenoten — op het podium bleef hij de maagdelijke knaap die met een vleugje reukwater op geduldig op zijn eerste afspraakje wacht. En een stem die wonderlijk intact bleef, bijvoorbeeld in het fraaie Born to be Blue, een van de driehonderd songs die hij schreef.