Bruno Dössekkers verzonnen jeugd

Op de voorkant van de nieuwe Granta staat de foto van een engelachtig jongetje. Alles is innemend aan hem: zijn haar zit in een glanzende jongetjesscheiding, hij heeft een klein kuiltje in zijn kin en een vriendelijke glimlach. De foto van het jongetje, dat op dat moment Bruno Dössekker heette, werd in 1949 gemaakt door zijn adoptieouders, welgestelde, Duitstalige Zwitsers. Bruno lijkt er een normaal jongetje op – iets te engelachtig misschien.

Toch is diezelfde Bruno Dössekker de hoofdpersoon van `The Man with Two Heads', een meer dan vijftig pagina's tellende reportage geschreven door de journaliste en schrijfster Elena Lappin. Alleen heet het jongetje in dat stuk geen Bruno Dössekker meer, maar Binjamin Wilkomirski, en is hij de auteur van de in 1995 verschenen autobiografische roman Bruchstücke (`Brokstukken'). In dat boek vertelt Wilkomirski over zijn jongensjaren, die hij, als in het Letse Riga geboren jood doorbrengt in de concentratiekampen Majdanek en Auschwitz en in een kindertehuis in Kraków. Het is een aangrijpend boek, niet alleen omdat het consequent is geschreven vanuit het perspectief van een jongetje, maar ook omdat het vol staat met lugubere verhalen. Zo ziet Wilkomirski zijn vermoedelijke vader door een auto tegen een muur worden geplet en beschrijft hij en detail de moorden en verschrikkingen in de kampen – de historicus Daniel Goldhagen liet noteren dat `zelfs zij die bekend zijn met de literatuur over de Holocaust nog veel kunnen leren van dit boeiende boek'. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Wilkomirski met zijn debuut een lading aan literaire prijzen won, waaronder de Jewish Quarterly Prize voor non-fictie en de Amerikaanse National Jewish Book Award, waarmee hij onder anderen Nobelprijswinaar Elie Wiesel voorbleef.

Drie jaar later rees er echter een probleem: de authenticiteit van Bruchstücke wordt in twijfel getrokken. Dat begint met de publicatie van een artikel van de schrijver en journalist Daniel Ganzfried in het Zwitserse weekblad Weltwoche. Die stelt dat Wilkomirksi niet als Wilkomirski is geboren en ook niet als Dössekker, maar op 12 februari 1941 als Bruno Grosjean, en wel in de Zwitserse plaats Biel. Bovendien, zo stelt Ganzfried, kloppen diverse details en beschrijvingen niet.

Voor Elena Lappin is dit alles reden om het verleden van Wilkomirski, die ze eerder heeft ontmoet, nauwgezet te reconstrueren. In haar onderzoek praat ze met iedereen die op enigerlei wijze met Wilkomirski in contact heeft gestaan – van de schrijver zelf, zijn vrouw en zijn uitgever, tot diverse Holocaust-experts en de vrouw die Wilkomirski hielp zijn identiteit `terug te vinden'. Ze stuit daarbij op mensen die hartstochtelijk in Wilkomirski's verhaal geloven, maar ook op tegenstrijdigheden – zo herkent de schrijver op een foto het weeshuis in Kraków waar hij zou hebben verbleven niet meer en beweert hij zelf tegen Lappin dat hij besneden is, terwijl een vriendin en zijn ex-vrouw dat ontkennen. Het knappe van het stuk is echter dat Lappin het verhaal langzaam boven het `geval' van Wilkomirski weet uit te tillen. Aanvankelijk stel je je vooral vragen over zijn verleden en lot, maar door de doorwrochtheid van Lappins zoektocht reikt `The Man with Two Heads' al snel verder: het wordt een tragische zoektocht naar de grenzen tussen feit en fictie, werkelijkheid en fantasie en vooral de werking van het menselijk geheugen, met Wilkomirski als tragisch `voorbeeld'. Niet voor niets laat Lappin de historicus Israel Gutman ergens opmerken: `Wilkomirski heeft een verhaal geschreven dat hij diep doorleefd heeft, dat is wel zeker.'

Omdat juist die twijfel het verhaal zo intrigerend maakt, is het spijtig dat Lappin de verleiding niet heeft kunnen weerstaan haar eigen vonnis over Wilkomirski te vellen. Gelukkig gaat daarmee het bredere perspectief nog niet verloren, wat al blijkt uit het begin van Lappins stuk. Daarin beschrijft ze een kort bezoek aan Steven Spielberg, die een groot deel van de opbrengsten van zijn film Schindler's List heeft gedoneerd aan de Shoah Foundation, een stichting die de verhalen van meer dan 50.000 overlevenden van de Holocaust op videotape heeft vastgelegd. Zal dit archief in de toekomst een betrouwbare bron voor geschiedschrijvers blijken, vraagt Lappin de regisseur. `Absoluut', antwoordt die. `Door dit materiaal kunnen de overlevenden van de Holocaust, lang nadat ze zelf zijn gestorven hun verhaal aan toekomstige generaties vertellen.' En daar voegt hij aan toe: `het biedt een onvergelijkbare manier om de ervaringen van de slachtoffers te leren begrijpen'.

Wie `The Man with Two Heads' gelezen heeft, is daar ineens niet zo zeker meer van.

Granta nr 66: Truth & Lies, 258 blz. Prijs ƒ35.