WERELDTALENSTELSEL 4

In het artikel `Hoe meer talen hoe meer Engels' (W&O, 22 mei) bracht Abram de Swaan enkele punten naar voren die vorig jaar in Oegstgeest besproken werden tijdens de conferentie Which Languages for Europe? De European Cultural Foundation (ECF) organiseerde deze conferentie als startpunt van een serie seminars, waarin de volgende vraag centraal staat: hoe kan het nieuwe Europa taalgelijkheid garanderen voor al haar burgers en tegelijkertijd optimale communicatie bewerkstelligen? Deze vraag is tot nu toe door de Brusselse politiek terzijde geschoven, omdat deze onoplosbaar lijkt.

Hoewel een lingua franca ontegenzeggelijk een bijzonder nuttig instrument is, en er weinig twijfel over is dat het Engels deze positie zal gaan vervullen, betekent optimale communicatie voor de meeste mensen dat zij de mogelijkheid krijgen zich in hun eigen taal uit te drukken. In andere talen kunnen zij namelijk niet altijd goed overbrengen wat ze willen zeggen en ze lopen op deze manier zelfs het gevaar dat hun intellectuele capaciteiten worden afgemeten aan hun uitdrukkingsvaardigheid in een vreemde taal. En als bijvoorbeeld Fransen en Duitsers ook het recht opeisen om zich in hun eigen taal uit te drukken, zouden dan in een democratische maatschappij niet alle andere in Europa gesproken moedertalen, inclusief de immigrantentalen, dezelfde rechten moeten krijgen?