Strikjes en kwikjes

Van journalisten wordt weleens gezegd dat ze teveel op interviews en te weinig op dossiers vertrouwen. Bij wetenschappelijke onderzoekers zie je nogal eens het omgekeerde: alleen wat op papier staat wordt betrouwbaar gevonden. Peter de Goede gaat wat dat betreft wel heel ver. Zijn proefschrift, dat gaat over het omroepbeleid tot en met 1999, is vrijwel helemaal gebaseerd op literatuur, op staatsstukken en op jurisprudentie. Van onuitgegeven dossiers van bijvoorbeeld omroepverenigingen, de NOS of het Commissariaat voor de Media is geen gebruik gemaakt en er is niemand systematisch geïnterviewd, geen minister of staatssecretaris, geen topambtenaar en geen Kamerlid, geen directeur of voorzitter van een omroepvereniging. Wel is er –het staat in de methodologische verantwoording – sprake geweest van contacten op een congres of studiedag en zijn op `informele wijze mijn eigen interpretaties getoetst' aan die van collega's. `Methodologen duiden deze controleprocedure aan met de termen `peer debrieving' of `consensual validation'. Even afgezien van die rare `v' in debrieving klinkt dat wel deftig, maar al die mooie woorden zijn niet meer dan wat goedkope strikjes en kwikjes die de methodologische armoede niet kunnen verhullen.

Dit is gewoon een literatuurstudie, heel informatief overigens en ook goed geschreven, die een interessant beeld geeft van 80 jaar omroepbeleid, maar als historische studie toch weer niet voldoet, omdat er met uitzondering van het hoofdstuk over de jurisprudentie geen bronnenonderzoek heeft plaatsgevonden. De Goede heeft, hoewel hij geen duimbreed afwijkt van het chronologische kader, overigens ook niet de pretentie een historisch proefschrift te schrijven. Hij is politicoloog van huis uit en zoekt aansluiting bij moderne beleidstheorieën, met name het stromenmodel van John Kingdon. In de door De Goede ontwikkelde variant van het model van Kingdon is het omroepbeleid de uitkomst van de interacties van de betrokken partijen (overheid, omroeporganisaties, bedrijfsleven, pers, enz.) die binnen een bepaalde institutionele context (bijvoorbeeld internationale verdragen, het bestaan van een maatschappelijk middenveld van organisaties) hun eigen belang in dat beleid zo goed mogelijk tot uitdrukking willen laten komen. Het model wordt in het proefschrift niet getoetst, maar ingezet als een sorteermachine om het vele materiaal in enkele goed van elkaar onderscheidbare beleidsstromen onder te kunnen brengen. Daar blijft het ook wel een beetje bij, want de poging om de instituties en interacties in hun wisselwerking te laten zien leidt tot drie ideaaltypen, die ook zonder dure woorden als `communitaristisch-pluriform' onmiddellijk herkenbaar zijn in het Nederlandse omroepbestel. Er is de lijn van de verzuiling (KRO, Vara, NCRV), van de algemeenheid (AVRO, TROS) en van de commercie (RTL4).

Mijn probleem met dit proefschrift is dat het een proefschrift is. Dat vind ik het eigenlijk niet, op methodologisch gebied schiet het daarvoor tekort, het theoretische kader is niet bijzonder interessant en het bevat ook geen verrassend nieuwe of oorspronkelijke inzichten. Als ik nu verder net doe of dit geen proefschrift is, dan heb ik ineens wel een buitengewoon aardig boek in handen. Zelfs zo aardig, dat het me verplichte literatuur lijkt voor iedereen die bij het omroepbeleid betrokken is, te beginnen met staatssecretaris Rick van der Ploeg, die onlangs met een belangrijk en omvangrijk voorstel tot herziening van de Mediawet is gekomen. Peter de Goede kon dat voorstel net niet meer meenemen in zijn boek, maar het is een mooi sluitstuk van de ontwikkeling die hij beschrijft. Hij preludeert er wel al op in zijn slotbeschouwing over een nieuw stelsel dat niet langer mank gaat aan de problemen die in de eerdere hoofdstukken zo duidelijk aan het licht treden.

Het is dit jaar 80 jaar geleden dat in Nederland voor het eerst radio beluisterd kon worden en Nederland was zelfs het eerste land waar het maken van een radioverbinding het karakter kreeg van een zender met programma's voor een in principe onbeperkt publiek, binnen en buiten Nederland. Omdat radio zich bedient van golflengten, het aantal bruikbare golflengten beperkt was, maar niet beperkt werd door de landsgrenzen, ontstond al heel snel behoefte aan een internationale regeling en een nationale verdeling van de beschikbare capaciteit. Dat bracht de overheid op het tapijt en omdat Nederland de beschikking kreeg over niet meer dan twee golflengten was er meteen ook een verdelingsvraagstuk. Naar ook toen al goed Neder lands gebruik boog zich een hele reeks commissies naast en na elkaar over het vraagstuk.

De vraag of er een nationale omroeporganisatie moest komen of dat de zendtijd en de golflengten verzuild verdeeld zou moeten worden, hield de gemoederen uiteraard zeer bezig. Het Zendtijdbesluit van 1930 betekende een keuze voor een verzuild bestel, waarin ook een omroep als de AVRO, die juist zeer hechtte aan het predikaat `algemeen', als een zuil werd beschouwd. Vele jaren later zou de frustratie van de AVRO niet erkend en beloond te worden als nationale en algemene omroep alsnog in wraak worden omgezet. De fusie met het blad Televizier maakte de AVRO in 1967 tijdelijk tot de grootste omroep: de abonnees van Televizier werden collectief lid van de AVRO gemaakt.

Het Nederlandse omroepbestel was niet commercieel en wilde dat ook niet worden. De kosten van de uitzendingen werden bestreden uit de contributies van de leden. Een verplichte luisterbijdrage werd – net als het ziekenfonds – pas tijdens de Duitse bezetting ingevoerd en vanaf 1956 was er ook sprake van kijkgeld. Een kostbaar medium als televisie zou zeker niet alleen uit de lidmaatschapsgelden betaald hebben kunnen worden en voor commerciële televisie was geen meerderheid in de Tweede Kamer te vinden. Al voor de oorlog werd de mogelijkheid van televisie al serieus onder ogen gezien, maar reguliere televisieuitzendingen begonnen in Nederland toch pas in 1951. Het lijkt achteraf niet anders dan vanzelfsprekend dat de televisiezendtijd – er was een net dat aanvankelijk nog niet eens iedere avond uitzond – op precies dezelfde manier verdeeld werd als de radiozendtijd, maar het was toch echt een keuze. Begin jaren vijftig werd commerciële televisie zeker niet onmogelijk geacht en ook waren er weer pleidooien voor een nationale televisie-omroep. Het een noch het andere haalde het. De nieuwe NTS werd op het laatste moment via een motie zelfs nog beroofd van de kans een `algemeen' programma te mogen maken. Het werd een `gezamenlijk' programma, met andere worden: de omroepen werden de baas van de NTS en later van de NOS op precies dezelfde manier.

Op geen enkel gebied heeft de verzuilde structuur zich zo lang kunnen handhaven als juist in de omroepwereld. De belangen waren groot, er was veel geld en zowel de confessionelen als de socialisten hadden belang bij het behoud van het bestel. Veel liberalen zagen liever een ander stelsel, nationaler zowel als commerciëler, maar hun invloed was in die jaren nog zeer beperkt. In de jaren zestig ontstaan buitengaats de eerste commerciële pogingen het bestel te omzeilen en te veranderen met een andere benadering van de luisteraars, een andere programmering en een andere doelgroepkeuze. Veronica heeft daar later een hele mythe omheen geweven, maar er zijn vele pogingen geweest en aanvankelijk hadden die weinig met jongeren en veel met gevestigde zakenlieden te maken. In 1965 valt het kabinet Marijnen, omdat men het niet over de uitgangspunten voor een omroepwet eens kon worden. Uiteindelijk komt er een Omroepwet (1967) die wel nieuwe omroeporganisaties entree bood, maar zendtijd afhankelijk maakte van het ledental. De omroepen werden daardoor elkaars concurrenten en waren ook steeds op ledenjacht (de nieuwe Mediawet zal daar waarschijnlijk sterk verandering in brengen). Er kwam geen commerciële televisie, maar wel reclame op televisie en radio.

In de jaren daarna doen zich ook ontwikkelingen voor, die de omroepwet nog niet kon voorzien. De aanleg van een kabelnet bracht nieuwe technische mogelijkheden (lokale televisie bijvoorbeeld), die met allerlei maatregelen en beschikkingen zoveel mogelijk werden tegengegaan. De komst van communicatiesatellieten opende weer andere mogelijkheden, veel moeilijker tegen te gaan uiteraard, omdat de Nederlandse overheid nauwelijks mogelijkheden had om in te grijpen. Mede door de op liberalisering en marktwerking georiënteerde Europese regelgeving bleek commerciële televisie uiteindelijk niet meer tegen te houden. Het grappige is dat met de komst daarvan ook de `nationale' omroep steeds dichterbij lijkt te komen. De oude omroeporganisaties worden als publieke omroep steeds dichter naar elkaar toegeschoven en de greep van de zendercoördinatoren en van de Raad van Bestuur van de NOS op de programmering wordt snel sterker. In de nieuwe Mediawet zal dat nog meer het geval zijn.

In alle opzichten een apart hoofdstuk in Peter de Goede's boek is gewijd aan de vele rechtszaken die er vooral in de laatste twintig jaar in Nederland en op Europees niveau aan hangig gemaakt zijn op mediagebied. Het is een treurig beeld van machtspolitiek, eigen belang en opportunisme dat daaruit oprijst. Dat geldt voor alle betrokken partijen, niet in de laatste plaats de Nederlandse overheid, die door het Europese Hof steeds weer gecorrigeerd wordt en daar meestal met gelegenheidswetgeving op reageert. Het juridische gelijk lag bijna altijd aan de andere kant, dat wil zegen bij de commerciële omroeporganisaties. Jammer dat het Europese Hof nooit een kwaliteitscriterium heeft laten gelden, want ook met dag en nacht 60 kanalen is er nog steeds weinig te zien.

Peter de Goede, Omroepbeleid met en tegen de tijd. Amsterdam, Otto Cramwinckel, 325 blz. Universiteit Leiden, 29 april 1999. Promotor: Prof.dr. A.J.G.M. Bekke.