PRATENDE AAP

In W&O van 8 mei reageert Harm Visser in zijn brief met de titel `Pratende aap' op het artikel `Praten en bedriegen; psycholoog Richard Byrne over het ontstaan van taal' in W&O van 20 maart. Volgens Visser is het `bijna genant dat Byrne nog eens komt aanzetten met Kanzi, die wonderbaarlijke bonobo die spontaan met symbolen speelde'.

Wat genant is, is dat tegenstanders van de taalexperimenten met mensapen zich altijd weer beroepen (in dit geval in navolging van Pinker) op zinnetjes als `Mijn banaan jij banaan mij jij geven', met de vermelding dat chimpansees niet verder komen dan dergelijke uitingen, terwijl een kind van twee jaar al zoiets produceert als `we gaan licht aandoen dat je niks ziet'. Hierin ligt de suggestie dat waar het kind zich verder en verder onwikkelt, die domme apen alleen bezig blijven met bananen. Het zinnetje over de banaan is niet geuit door Kanzi, maar vermoedelijk door Nim Chimsky of Washoe. En het belangwekkende van het experiment met Kanzi ligt niet in de lengte of complexiteit van uitingen, maar in zijn begrip en gebruik van 256 symbolen waaronder ook symbolen voor abstracte begrippen. Begeleiders van Kanzi die later bij het onderzoek werden betrokken hadden een jaar nodig om deze symbolenverzameling te leren. Verder is er Kanzi's begrip van verschillen in woordvolgorde: hij gebruikt `grab Matata' en `Matata grab' in twee verschillende situaties.

Het meest interessante is echter Kanzi`s begrip van gesproken taal, waar ook Byrne op ingaat, maar waar Visser aan voorbij gaat. In W&O van 6 augustus 1992 is dit al aan de orde geweest: Kanzi (acht jaar) is op dit punt vergeleken met een kind van twee jaar. Beide kregen vierhonderd opdrachten waarvan de meeste nieuw voor hen waren. Voorbeelden van die opdrachten zijn: `Kun je salade uit de magnetron halen?' `Kun je het speelgoedhondje de speelgoedslang laten bijten?' En: `Kun je naar de telefoon gaan die buiten staat?' Aap en kind begrepen elk ongeveer zeventig procent van de opdrachten en maakten dezelfde fouten. Het is dus simpelweg onjuist dat de chimpansees `het eigenlijk gewoon niet snappen'.

Visser twijfelt aan de spontaniteit van Kanzi's leren. Dat Kanzi geen intensieve taaltraining heeft gehad is daarbij vreemdgenoeg niet het criterium, zo blijkt uit Vissers opmerkingen. Natuurlijk kunnen zo steeds de criteria worden bijgesteld. Pas als een aap, buiten contacten met mensen om, uit het oerwoud komt lopen om ons in lange, goed lopende zinnen een lezing te geven over verschillen en overeenkomsten tussen mens en dier, zal de laatste criticus onder de indruk zijn. Maar we zouden ook de huidige onderzoeken iets neutraler kunnen bestuderen en ze op hun waarde kunnen schatten. Wanneer de lezer zich echter beperkt tot het werk van Pinker, zullen de experimenten nooit de aandacht krijgen die ze verdienen.