MAGNETISCH VELD VAN DE ZON IS VERDUBBELD IN AFGELOPEN 100 JAAR

De gemiddelde sterkte van het magnetisch veld rond de zon is in de afgelopen eeuw in waarde verdubbeld. Tot die conclusie komen de Britse onderzoekers M. Lockwood, R. Stamper en M. Wild in Nature van 3 juni. Zij leiden dat af uit een nieuwe, eigen analyse van een langlopende serie metingen aan het aardmagnetisch veld die al in 1863 begon. Met de ontdekking is opnieuw aangetoond dat de zon een veel minder constante ster is dan lang geleden werd aangenomen. De grilligheid waarmee zonnevlekken verschijnen en soms bijna een eeuw wegblijven (zoals tijdens het Maunder-minimum) is een meer bekende uitdrukking van die grilligheid. Aan sterren van de soort waartoe de zon behoort is de variabiliteit ook waargenomen.

Uitgangsmateriaal voor de Britse onderzoekers was de registratie van zogenoemde `aa-indices'. De aa-index (van: amplitude average) is een wat gecompliceerde maat voor optredende veranderingen in het aardmagnetisch veld. Door de invloed van zonlicht op de ionisaties in de ionosfeer vertoont het aardmagnetisch veld een zwakke dag- en seizoensritsmiek. Al in de vorige eeuw is ingezien dat voor dit zonlicht-effect grotendeels is te compenseren door het veld steeds gelijktijdig op twee plaatsen die zich diametraal tegenover elkaar op aarde bevinden (dus `antipodaal' zijn) te meten. Sinds 1863 registeren magnetometers het veld in Engeland en in Australië.

Al heel lang geleden is ontdekt dat zich in de aa-indices precies dezelfde 11-jarige cyclus voordoet als in het voorkomen van zonnevlekken – wat niet zo verwonderlijk is omdat de vlekken plaatsen zijn met een versterkt magnetisch veld. Al in 1978 (19 oktober) wezen Amerikaanse onderzoekers er in Nature op dat zich in de aa-indices sinds 1900 een lange-termijntrend voordoet die lijkt samen te vallen met het stelselmatig toenemen van het aantal zonnevlekken en wordt toegeschreven aan de invloed van de zonnewind. Het nu gepubliceerde artikel van Lockwood, Stamper en Wild is dus niet zo verrassend en lijkt vooral van betekenis als test voor een model dat de oriëntatie van het interplanetaire magnetische veld (IMF) en zijn relatie met de zonnewind beschrijft.

Maar de Britten zinspelen ook op een andere betekenis van hun werk. Er is, schrijven zij, een aantoonbare relatie tussen de helderheid van de zon en haar magnetisme en bovendien is er een verband aangetoond tussen het zonnemagnetisme en de bewolking op aarde. Conclusie: hun `ontdekking' kan van grote invloed zijn op het debat over het broeikaseffect. In het begeleidende commentaar van de Amerikaanse fysicus E.N. Parker wordt nog opvallender gezinspeeld op een interferentie tussen de effecten van het variabele zonnemagnetisme en het stijgende CO2-gehalte van de aardatmosfeer. Ook Parker verwijst daarbij uitsluitend naar de nog prille theorie van de Denen H. Svensmark en E. Friis-Christensen die twee jaar geleden veel aandacht kreeg omdat de journalist Nigel Calder er een boek over schreef. De theorie is dat de harde kosmische straling van directe invloed is op wolkvorming en dat een actieve zon, die samengaat met een krachtige zonnewind, de kosmische straling wegbuigt van de aarde. Hoe meer zonnevlekken hoe minder bewolking. Een artikel van de Denen werd geweigerd door Science en is uiteindelijk geplaatst in the Journal of atmospheric and solar-terrestrial physics (juli '97). Sindsdien is niet opnieuw gepubliceerd. (Karel Knip)