Kenniskloof

Het mediagebruik wordt steeds individueler. Internet maakt informatie op maat mogelijk. Men kan zelf beslissen wanneer men welke informatie tot zich neemt. Door dit gefragmenteerde media-aanbod wordt het publiek minder breed geïnformeerd. Nieuwe media werken eenzijdige ontwikkeling in de hand.

KENTIE: ,,Nieuwe media zullen juist het breed geïnteresseerde publiek enorm stimuleren. De eenzijdige ontwikkeling van informatie heeft niets met een specifiek communicatiemedium te maken. Wel met het ontbreken van veelzijdige mediavormen! Een kennismaking met specifieke onderwerpen via Internet doen mensen juist grijpen naar andere media, bibliotheken, verzamelingen etcetera. Nieuwe media zijn zo een katalysator.''

GROEBEL: ,,We verliezen het gemeenschappelijk geïnformeerd raken. De kans dat ik en mijn buurman gisteravond hetzelfde hebben gezien op televisie of Internet is zeer klein. Aan de andere kant winnen we aan nieuwe gemeenschappen. Ik houd van een bepaald soort sigaren. Op Internet vind ik medestanders in het roken van die sigaren. We wisselen ervaringen uit en ik kom er achter waar ik ze het best kan bestellen. Dit soort gemeenschappen voegt iets toe. Zo kom ik toch weer aan mijn gezamenlijke ervaring.''

VAN DUSSELDORP: ,,Ach, ik gooi nu ook het sportkatern ongelezen weg. Tegelijkertijd is er een groot verlangen te weten wat er aan de hand is, gedeeltelijk bepaald door wat andere mensen lezen. Ik ben niet zozeer bang voor een eenzijdige maar voor helemaal geen ontwikkeling. De overdaad aan beschikbare informatie werkt verwarrend. Dat is voor sommige mensen reden om helemaal geen aandacht meer aan het nieuws te besteden. Dat is veel bedreigender.''

Volgens socioloog Manuel Castells is `niet aangesloten zijn' het grootste gevaar van de netwerksamenleving. Tweederde van de wereldbevolking heeft nog nooit getelefoneerd. De kenniskloof wordt bij toenemend gebruik van nieuwe media steeds groter en zal op termijn hele regio's van de wereld buitensluiten. Ook in de Nederlandse samenleving wordt deze kloof steeds pijnlijker zichtbaar. Deze ontwikkeling is niet te stuiten.

GROEBEL: ,,Ik maak me geen zorgen over een grotere kenniskloof binnen een goede, rijke economie als de Nederlandse maatschappij. Internationaal kun je wel spreken van een kloof. Ik deed eind 1997 onderzoek voor UNESCO naar de Internettoegang van kinderen. Toen bleek dat gemiddeld vijf procent van de kinderen op de wereld toegang heeft tot Internet. Het is geen natuurwet dat de kloof steeds groter wordt. Op een relatief eenvoudige en goedkope manier kunnen satellietverbindingen ook arme regio's toegang bieden. Dat is technisch niet moeilijk en ook niet duur. Het hangt af van de bereidheid van gatekeepers, zoals grote mediaconcerns en overheden, om toegang te bieden, om signalen aan te geven. Het is dus vooral de kwestie van infrastructuur waarover ik me zorgen maak.''

KENTIE: ,,Ja, een land als India met zijn indrukwekkende reputatie als programmeurswalhalla is een prachtig voorbeeld. Niet dat iedereen toegang heeft tot Internet, maar de Indiase overheid heeft tijdig stevig geïnvesteerd in informatica-opleidingen en onderwijs zodat het land nu hooggekwalificeerde specialisten aflevert. De reputatie van India is daardoor enorm gestegen. De kreet `niet aangesloten zijn' lijkt overigens een eind negentiger-jaren variant van `niet geletterd' zijn. De kenniskloof bestaat echter al veel langer en wordt door dictaturen en armoede alleen maar groter. Nieuwe media zullen zich eerder ontpoppen als bruggenbouwers.''

MULDER: ,,Castells komt uit Amerika. En daar is Internet al veel dieper en breder in de samenleving doorgedrongen. De gemiddelde Internetgebruiker is allang niet meer de hoger opgeleide veelverdiener, zoals in Europa. Nog vijf jaar en dan is het hier ook zo. Dan is ook hier vrijwel iedereen aangesloten op Internet, door alle lagen van de bevolking heen. Ik maak me meer bezorgd over een andere ernstige tweedeling. Op de werkvloer kan iedereen met een pc omgaan, beleidsmedewerkers kunnen nog net tikken, maar het topmanagement snapt er niets van. De toplaag van de Nederlandse samenleving, de mensen in de directiekamers, heeft geen tijd om met computers bezig te zijn. Achterblijvend management kan tot grote problemen leiden. Hun verantwoordelijkheid is niet zozeer het kunnen omgaan met de nieuwe mogelijkheden, maar er strategisch over na kunnen denken. Je hoeft niet om te kunnen gaan met een muis om te voorzien dat je bedrijf door nieuwe elektronische concurrenten uit de markt wordt gedrukt.''