Kamperen op Mt. Wilson

Nederlands meest glorieuze astronoom rond de eeuwwisseling was J.C. Kapteyn uit Groningen. Zelfs zonder eigen sterrenwacht wist hij internationaal tot de top door te dringen. Maar een uitgave van zijn verzameld werk was hem niet gegund.

OP HET GEBIED van de sterrenkunde behoort Nederland sinds jaar en dag tot de wereldtop. Voor een niet onaanzienlijk deel is die faam terug te voeren op de inspanningen van J.C. Kapteyn, van 1877 tot 1921 hoogleraar te Groningen en een autoriteit die wereldwijd grootse dingen voor elkaar kreeg. Die positie verwierf hij zonder eigen observatorium: Leiden en Utrecht vonden twee wel genoeg voor Nederland en lagen dwars. Maar Kapteyn maakte van de nood een deugd en op basis van andermans waarnemingen klom hij op naar de top.

De invloed en betekenis van Kapteyn staan komende week centraal op het driedaagse symposium The Legacy of J.C Kapteyn, een lustrumactiviteit van de Rijksuniversiteit Groningen. Initiatiefnemer is Klaas van Berkel, hoogleraar (wetenschaps-)geschiedenis. Behalve Kapteyns wetenschappelijke nalatenschap komen aan bod zijn persoonlijkheid en leiderschapsstijl, zijn invloed op de vaderlandse astronomie, zijn pioniersrol op het gebied van internationale samenwerking en zijn rol als wegbereider van de stroom van Nederlandse astronomen die tot op de dag van vandaag, al dan niet tijdelijk, in Amerika hun heil zoeken.

Groningen heeft ten aanzien van Kapteyn iets in te halen, meent Van Berkel. ``In zijn tijd was Kapteyn de belangrijkste figuur aan de universiteit, een maatje groter toch dan de psycholoog Heymans. Toch heeft die meer aandacht gekregen. Hetzelfde geldt voor de historicus Johan Huizinga, terwijl die maar betrekkelijk kort in Groningen heeft vertoefd. Die mindere belangstelling voor Kapteyn heeft te maken met het feit dat zijn archief bij het bombardement van Rotterdam verloren is gegaan.''

Dat verlies is met mysteries omgeven. Wat het Kapteyn-archief mei 1940 precies in Rotterdam deed, is nooit echt opgehelderd. Wel herinnert Adriaan Blaauw, emeritus-hoogleraar sterrenkunde in Groningen en Leiden (voor het symposium onderzocht hij Kapteyns rekenboekjes), zich dat hij, toen hij in 1933 op de Leidse Sterrewacht ging wonen, op zolder een intrigerende kist aantrof met daarin Kapteyns brieven, notitieboekjes en andere archivalia. Die kist is verdwenen. Blaauw: ``Toen ik in Groningen zat hoorde ik van Van Rhijn, de opvolger van Kapteyn en mijn promotor, dat er plannen bestonden om tot een biografie van Kapteyn te komen. Die zou geschreven worden door De Sitter, directeur van de Leidse Sterrewacht en leerling van Kapteyn, en Huizinga, de historicus en tevens huisvriend van de Kapteyns. Om de een of andere reden is het er nooit van gekomen.''

BIOGRAFIESPOOR

Het plan wordt bevestigd door een brief die Petra van der Heijden onlangs heeft opgedoken in de archieven van het California Institute of Technology (Caltech) in Pasadena. Van der Heijden, een pas afgestudeerde sterrenkundige met historische belangstelling, is in opdracht van Van Berkel op pad gegaan om te achterhalen wat er aan internationale briefwisselingen bewaard is gebleven. Vooral met George Ellery Hale, van 1904 tot 1923 directeur van Mount Wilson Observatory, heeft Kapteyn uitvoerig gecorrespondeerd. Uit het Caltech-archief blijkt dat Huizinga hem met het oog op de biografie had gevraagd om een compilatie van de brieven die hij en zijn directe collega's van Kapteyn had ontvangen. Daar loopt het biografiespoor ook direct dood.

Jacobus Cornelus Kapteyn (1851-1922) was het negende kind in een reeks van vijftien. Zijn vader dreef een kostschool in Barneveld en had het liefst gezien dat zijn zoon onderwijzer of leraar was geworden. Maar die ging wis- en natuurkunde studeren in Utrecht, om na zijn promotie in 1875 (op een onderzoek naar trillende platte vliezen) te solliciteren naar de post van observator aan de Leidse Sterrewacht. In 1877 werd Kapteyn op 26-jarige leeftijd in Groningen benoemd op de nieuwe leerstoel voor sterrenkunde en theoretische mechanica, een uitvloeisel van de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876. Die wet betekende een enorme stimulans voor de Nederlandse wetenschap, resulterend in een serie Nobelprijzen. Een neveneffect was dat de universiteiten, die opeens de ruimte kregen, op jacht gingen naar jong talent.

Toen hij ondanks vele smeekbeden maar geen observatorium kreeg, zocht Kapteyn – tegen het advies van zijn Leidse collega's in – in 1885 contact met David Gill, directeur van de sterrenwacht in Kaapstad. Die kon moeilijk bezwaar hebben tegen iemand die zich bereid toonde zijn stapels fotografische platen van de zuidelijke sterrenhemel door te meten en te catalogiseren. Kapteyn ontwierp voor dat doel een eigen meettoestel en besteedde tien jaar om de posities en helderheden van in totaal 454.875 sterren te bepalen. Een monnikenwerk dat hem oogklachten bezorgde, zijn gezin tot wanhoop bracht maar dat hij tot het bittere eind met de grootste toewijding volbracht. Hulp was er van een amanuensis die hij van de ambachtsschool had geplukt, en van een gezelschap Groninger gevangenen die in plaats van zakjes te moeten plakken duf rekenwerk voorgeschoteld kregen.

Het resultaat, in de periode 1896-1900 onder de titel The Cape Photographic Durchmusterung gepubliceerd, mocht er zijn: een driedelig standaardwerk met nauwelijks fouten dat tot op de dag van vandaag zijn diensten bewijst. Het bracht hem internationale roem en sympathie bij de astronomische gemeenschap. In 1906 lanceerde Kapteyn zijn Plan of Selected Areas, een monsterproject waarbij tientallen sterrenwachten met elkaar afspraken 206 stukjes van de hemel, gelijkmatig verspreid, door te meten en van alle sterren te bepalen wat hun positie, helderheid, afstand, eigenbeweging, lichtspectrum en radiële snelheid is – alles bedoeld om de structuur van de Melkweg te achterhalen. Het was een groots vertoon van internationale samenwerking. Analyse van de voorlopige gegevens bracht Kapteyn begin jaren twintig tot de conclusie dat we in een discusvormig sterrenstelsel leven, met de zon niet ver uit het midden. Eerder had hij ontdekt dat de sterren niet willekeurig aan het firmament bewogen maar in twee voorkeursrichtingen: de sterstromen. Later zou zijn leerling Oort een verband leggen met de rotatie van de Melkweg.

Vooral in zijn statistische methoden om de astronomische gegevens te bewerken liep Kapteyn voorop. De interpretatie van de metingen ging deels de mist in omdat hij de lichtabsorptie van het interstellaire stof onderschatte. Sommige van zijn conclusies bleken later onhoudbaar.

In Groningen kreeg Kapteyn pas in 1896 de beschikking over een fatsoenlijk sterrenkundig laboratorium, in eerste instantie ondergebracht in de tijdelijk leegstaande ambtswoning van de Commissaris der Koningin. Het doormeten van de fotografische platen van Gill was toen al achter de rug: die klus was geklaard in twee kelderruimtes van het Fysiologisch Laboratorium, ter beschikking gesteld door directeur Huizinga (de vader van Johan). In 1913 keerde Kapteyn er terug, maar nu kreeg hij het hele gebouw. Na zijn dood werd het omgedoopt in `Sterrenkundig Laboratorium Kapteyn'. Pas in 1931 wist zijn opvolger Van Rhijn er met financiële steun van particulieren alsnog een bescheiden kijker te installeren. De overheid hield ook toen nog de boot net zo hard af als in de begindagen van Kapteyn.

Kapteyns status als astronoom mag blijken uit de uitnodiging die hij van Hale ontving om vanaf 1908 de zomermaanden als Research Associate mee te draaien op Mt. Wilson, waar toen net de grootste spiegeltelescoop ter wereld was gebouwd. Kapteyn had Hale in 1904 ontmoet tijdens een sterrenkundig congres op de Wereldtentoonstelling in St. Louis. Hij was op Mt. Wilson een graag geziene gast en werd betrokken bij het opstellen van het meetprogramma. Meestal ging zijn vrouw Elise mee, wat directeur Hale voor problemen plaatste omdat de accomodatie op Mt. Wilson geen rekening hield met echtparen. Het eerste jaar kampeerden de Kapteyns in een tent, daarna liet Hale op de bergflank de Kapteyn-cottage bouwen.

Na de zomer van 1914 maakte de Eerste Wereldoorlog het Kapteyn en zijn vrouw vrijwel onmogelijk om de oversteek naar Amerika te maken. Dat Kapteyn in 1917 besloot zijn trips naar Mt. Wilson maar helemaal op te zeggen had evenwel een andere reden. De oorzaak, zo blijkt uit de brieven die Petra van der Heijden in Californië heeft opgedoken, blijkt een ruzie tussen Kapteyn en Walter Adams, op Mt. Wilson tweede man onder Hale en in 1923 zijn opvolger. Het conflict ontstond toen Adams, die op een bepaald terrein (de intrinsieke beweging van de sterren) eerst samen met Kapteyn had gepubliceerd, plotseling op eigen houtje verder ging. Van der Heijden: ``Kapteyn vond dat Adams een ernstige fout had begaan door – tegen de afspraak in – ineens alleen te publiceren, en dat hij deze fout moest toegeven. Ze hebben toen besloten de samenwerking maar te verbreken. Adams' volgende artikelen worden door Kapteyn in een brief aan Hale flink bekritiseerd: de inhoud vond hij weinig doordacht en de Amerikaan zou zijn eigen werk niet goed gelezen hebben. Hij vond dat Adams zijn artikelen best aan hem had kunnen voorleggen. Ook meende hij dat Adams zich het werk van Arnold Kohlschütter had toegeëigend. Toen Adams later van de Britse Royal Astronomical Society de Gold Medal kreeg, schreef Kapteyn directeur Eddington – die hem enkele dagen tevoren over het besluit had ingelicht – een brief waarin hij de hele zaak uit de doeken deed en waarin hij zich afvroeg of die medaille voor Adams wel zo gelukkig was. Het nieuws van Kapteyns verzet bereikte ook Hale. Die keurde Kapteyns actie rond de Gold Medal af maar wist hem te overtuigen zijn positie als Research Associate toch vooral niet omwille van het meningsverschil met Adams op te geven. Kapteyn bleef dus Hale's raadgever. Zelfs wilde hij in 1921, toen de storm met Adams geluwd was, terug naar Mt. Wilson. Doordat hij ziek werd is het er niet meer van gekomen.''

Dat Kapteyn in de sterrenkundige gemeenschap niet alleen vrienden had blijkt ook uit de gang van zaken rond zijn verzameld werk. Dat had in 1921 moeten verschijnen ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag. Om het project levensvatbaar te maken schreef De Sitter astronomen over de hele wereld aan met de vraag of ze, met het oog op de financiële onderbouwing van het project, alvast wilden intekenen. De belangstelling viel tegen. Vooral de Britten hadden weinig oren naar zo'n eerbetoon. Dat had alles te maken met Kapteyns houding ten opzichte van de Duitsers.

Het begon ermee dat Kapteyn in juli 1914, kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, door de Duitse Keizer de `Ordre pour le Mérite' werd toegekend, tegelijk met de bevelhebber van de Duitse onderzeeër die een jaar later het Britse passagiersschip de Lusitania torpedeerde. Onder de slachtoffers bevonden zich 128 Amerikanen, wat in de VS tot een golf van verontwaardiging leidde. Niettemin heeft Kapteyn de onderscheiding nooit teruggegeven. Wat ook kwaad bloed zette was dat Kapteyn na de oorlog er vurig voor pleitte de verslagen Duitsers niet van de internationale wetenschappelijke fora uit te sluiten. Uitgerekend zijn oude vriend Hale stond aan de wieg van de in 1919 opgerichte International Research Council, waarvan de statuten deelname van de Duitsers uitsloten. Kapteyn verzette zich hevig – maar tevergeefs – tegen de toetreding van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen tot deze organisatie. Van der Heijden: ``Hale vond dat Kapteyn er een naïef idealisme op na hield. Andere collega's verdachten hem echter van pro-Duitse sympathieën. Die hele affaire heeft een fatsoenlijk wetenschappelijk eerbetoon voor Kapteyn, wat de uitgave van een verzameld werk toch bij uitstek is, geblokkeerd. In Engeland stonden Eddington en Dyson, de Royal Astronomer, er niet onwelwillend tegenover maar ze kregen geen poot aan de grond.''

HAGIOGRAFIE

Het persoonlijk leven van Kapteyn is in 1928 beschreven door zijn dochter Henriette in J.C. Kapteyn: zijn leven en werken. Weinig verrassend betreft het hier eerder een hagiografie dan een serieuze studie – over de pijnlijke kwestie van het verzameld werk wordt met geen woord gerept. Een levensechter beeld van de jonge Kapteyn komt naar voren uit de onlangs opgedoken brieven die Kapteyn aan het begin van zijn Groningse tijd schreef aan Elise Kalshoven. Van Berkel: ``Toen ik op een redactievergadering van Spiegel Historiael over de Kapteyn-conferentie vertelde, zei Ad van der Steur dat hij die naam kende van een bundel minnebrieven die hij in zijn Haarlemse antiquariaat had liggen. Of het dezelfde kon zijn. Ja dus. Het gaat om 70 brieven, geschreven tussen 15 maart 1878 en 16 september 1879. Aan het begin van de correspondentie is Elise nog Kapteyns verloofde en woont ze bij haar ouders in Maarssen – ze hebben elkaar in Utrecht ontmoet, wellicht op een bijeenkomst waar Multatuli sprak. Aan het eind zijn ze man en vrouw en is Elise een paar dagen naar Maarssen om wat spullen op te halen.''

De brieven – die weinig literaire pretenties hebben – tonen Kapteyn als een rusteloos persoon, onzeker zijn weg zoekend in de hem vreemde provinciestad Groningen. Van Berkel: ``Maar hij is vastberaden te slagen, ook al heeft hij geen observatorium, geen personeel, geen studenten. Hij overlegt met Elise wie ze straks wel en niet bij hun thuis zullen uitnodigen, hij gaat op zoek naar een plaats om te picknicken, hij schrijft dat hij terug naar Leiden gaat mocht de op het nippertje geredde Groningse universiteit alsnog worden opgeheven, ze hebben het over het verzet van vader Kapteyn die toestemming voor hun huwelijk aanvankelijk weigert omdat ze niet in de kerk willen trouwen. Karakteristiek is dat ze een huis huren aan de Winschoterkade, ver uit het centrum en een plek waar geen academicus wilde wonen. Veelvuldig beklaagt hij zich over de desolate toestand waarin de Groningse sterrenkunde verkeert. Koop maar een kijker, zeggen de curatoren, maar een observatorium om hem neer te zetten leveren ze er niet bij. Zelfs hebben ze de grootste moeite om in Den Haag de ministeriële toestemming los te peuteren om hem de ƒ250,- terug te betalen. Curatoren dienen nergens voor, schrijft Kapteyn aan Elise, hoogstens kunnen ze ergens predikant worden.''

Alles bij elkaar ontstaat er voldoende ruimte voor een revisie van het beeld van Kapteyn, zo meent Van Berkel. ``Het rozige beeld van de astronoom die alleen maar vrienden had en die alles voor elkaar kreeg, behoeft aanpassing. Ik zit in de commissie geschiedschrijving van de Groningse universiteit die moet zorgen dat in 2014, wanneer het vierhonderdjarig bestaan wordt gevierd, de belangrijkste lacunes zijn opgeheven zodat over het academische leven in Groningen een samenhangend boek kan verschijnen.''

Bij het vorige eeuwfeest is zo'n overzichtswerk verzorgd door Johan Huizinga. In 2014 is Van Berkel 61.

Het congres `The Legacy of J.C. Kapteyn' is van 9-11 juni in Groningen.

Inlichtingen: 050 3634073.

Oproep: wie materiaal bezit over Kapteyn wordt vriendelijk gevraagd zich in verbinding te stellen met prof.dr. K. van Berkel, Rijksuniversiteit Groningen, Postbus 716, 9700 AS Groningen, email: kvberkel@let.rug.nl. Of met drs. J.M.T. van der Heijden, email: heijden@strw.leidenuniv.nl. Zie ook www.strw.leidenuniv.nl/~ heijden/kapteyn.html