In de schaduw van de vader

In de opvoedkunde is men het er over eens dat het geen kwaad kan als een kind een beetje tegen zijn ouders opziet. Onder de kritische blik van de puber verandert dat vanzelf. De kinderen krijgen dan de ambitie het beter te doen dan hun ouders. Maar als je ontdekt dat je vader toevallig superieur is, is dat niet makkelijk.

Dat overkwam Leonhard Huizinga (1906-1980), de zoon van de historicus Johan Huizinga. ,,Het is een kwalijke zaak om de zoon van een groot man te zijn. Er zijn maar drie mogelijkheden: rebellie, resignatie of het kiezen van een geheel andere weg.'' Zijn autobiografische boeken maken de indruk dat hij alle drie geprobeerd heeft, maar dat het hem nooit helemaal gelukt is om uit de schaduw van zijn monumentale vader te treden. Winnen kon hij niet, maar zoveel jaar na de dood van die vader was het conflict onopgelost, hoe graag hij het ook wilde beëindigen. ,,Ik weet het nu wel: ik ben bezig een oude strijd met mijn vader uit te vechten, niet om nederlaag of overwinning, maar omderwille van de vrede.''

Al in zijn oudste herinnering was er een gevoel van dankbaar moeten zijn als zijn vader aandacht voor hem had. ,,Ik mocht mij bij vader en moeder komen aankleden. Dat deed ik met grote ernst. Ik keek eerst op toen mijn vader zei: `Hoor Loete, de merel'. (...) Ik voelde iets als tranen die geen verdriet doen en een oneindige trots omdat mijn vader mij waardig geacht had dit gevoel met moeder en hem te delen.''

Zoals het bij een gelukkige jeugd hoort, wist Leonhard Huizinga niets meer van zijn `eigen ontwikkelingsgang' als kind in het huis aan het Emmaplein (in Helpman vlakbij Groningen). ,,Mijn vader (...) en zelfs mijn moeder om wie voor mij de hele wereld draaide, zie ik daar nauwelijks voor mij.'' Er waren als `Paradise lost' herinnerde vakanties op het landgoed Toornvliet bij Middelburg. ,,Gezegende jeugd in een gezegend gezin, tot mijn moeder stierf en stilte viel.'' Dit was een keerpunt in zijn leven, want feitelijk verloor hij ook zijn vader. ,,Na de dood van mijn Moeder had mijn vader zich geheel verslagen in eigen stilte teruggetrokken. Het ontijdig eind van een volmaakt gelukkig huwelijk met een aanbeden vrouw liet hem achter zonder enig ander houvast in het leven dan zijn werk. Daarin trok hij zich terug en verschanste zich er in zijn eenzaamheid.'' In die onbenaderbaarheid lag het begin van het grote verwijt.

Een familievriendin nam de taak op zich de vijf kinderen op te vangen en daar lag een tweede beschuldiging. Leonhard citeert een brief van Johan Huizinga aan diens broer: ,,Je begrijpt, dat het mij voortdurend bewust is, dat zij Mary's plaats inneemt. Ik tracht niet toe te geven aan het dikwijls pijnlijke gevoel daarvan. Wat kon ik in de gegeven omstandigheden beter wensen?'' Maar dat bleef niet zo: ,,En toch heeft Bine de Sitter later het gezin verlaten waar zij voor ons kinderen moeder verving als een ware moeder. Waarom?... Hij heeft het mijzelf gezegd: `Ik heb tante Bine gevraagd om weg te gaan, omdat ik bang was dat jullie door haar de herinnering aan moeder zoudt verliezen...' Jarenlang is deze uitlating voor mij een bron van wrokkend ressentiment geweest tegen mijn vader: hij ontnam ons een tweede moeder, omdat hij niet duldde dat wij – niet onze eigen moeder – maar zijn geliefde vrouw zouden vergeten!''

Leonhard Huizinga had een grote afkeer van school, met navenante resultaten. De `koude hoogheid' waarmee zijn vader hem toesprak over zijn rapport toen hij in de eerste klas van het gymnasium was blijven zitten, deden hem nog steeds huiveren. ,,Ziehier, Leonhard, het resultaat van je bemoeienissen gedurende het eerste jaar van het voorbereidend hoger onderwijs!...''

Verbonden met zijn vader voelde Leonhard zich door de door hem veronderstelde overeenkomst in karakter. ,,Ik ben tot laat in de twintig een onverbeterlijke fantast en dagdromer gebleven'', citeert hij herhaaldelijk zijn vader en zo zag hij zichzelf. Maar het incident waarmee hij het illustreert accentueert ook weer de onoverbrugbare afstand. De herrie van de broertjes leidde tot een hevige driftaanval. ,,Jakob – altijd meer realist dan ik – gaf de voorkeur aan een `overhaaste terugtocht' in de diepten van het woud; ik – romanticus als mijn vader – meende te moeten standhouden `in het aangezicht van de dood.' Dat werd ons beider ongeluk, van vader en van mij. Hij bereikte mij en sloeg mij in drift in het gezicht. Waarlijk niet zo hard. Maar hij trof mij ongelukkig. Het bloed spoot mij uit de neus. Ik geloof dat wij beiden even ontzet waren. Hij om mij en ik om hem. Onder tranen omhelsde hij mij `om het goed te maken'. En ik besefte op dat moment heel diep maar heel vaag dat het aan mij was om iets goed te maken. Maar helaas, twee Groningers en twee `fantasten en dagdromers' kwamen niet verder dan wederzijdse tranen.''

Wat wilde hij graag au serieux genomen worden door zijn vader. Maar dat viel niet mee. Hij was gedichten gaan schrijven. ,,Maandenlang liep ik er eenzaam mee rond. Toen raapte ik mijn moed bij elkaar en vroeg vader op een avond op Toornvliet of hij mijn gedichten wilde lezen. Wat ik precies van hem verwacht had, weet ik niet meer, maar het was meer dan dat wat ik de volgende avond tijdens een wandeling onder de kastanjes langs het achterplein te horen kreeg. `Ik heb je gedichten gelezen. Ik betwijfel of ze nodig zijn.' Dat was alles. Ik voelde het als een zo botte afwijzing, een zo harde wil om niet in te gaan op iets dat mij heilig was, dat die ene avond in de vrede van het al schemerende buiten het begin werd van een blijvende verwijdering.''

Leonhard maakte naam met komisch proza: een stortvloed slappe grappen in vergeten bestsellers als Adriaan en Olivier, waarmee hij het massapubliek, waar zijn vader zo van griezelde, met groot succes bespeelde. Een grote bek, daar was hij goed in, schrijft hij in bittere triomf. Hij had inderdaad een heel andere weg gekozen dan die onaantastbare vader. De pijn van het niet voldoen aan diens verwachtingen is op alle bladzijden van deze jeugdherinneringen voelbaar.

Leonhard Huizinga. Herinneringen aan mijn vader. (Den Haag, Leopold 1963)

Mijn hartje wat wil je nog meer. Memoires van een gelukkig mens. (Den Haag, Leopold 1968)