Ik heb een missie

Gesprek met Lisette Lewin. 'Voor Nederlanders bestaan er twee soorten joden: het door de oorlog getekende wrak en de jood die de Palestijnen bombardeert. Ik weiger me bij een van die soorten te laten onderbrengen.' Dit voorjaar verscheen het zevende boek van Lisette Lewin, de verhalenbundel 'Verliezers op zee'. Ook in dit boek ontloopt ze haar thema - het joods zijn - niet.

Wie heet er nou Lisette?

Lisette Lewin, schrijfster van romans, verhalen en documentaire boeken, gniffelt. 'Ik had een tante Elisabeth. Een saaie naam, meenden mijn ouders, maar ze wilden toch iets voor die tante doen en dus noemden ze mij Lisette. Ik vond het een rotnaam.' Nu grijnst ze breed: 'Net als het jodendom, dat was ook erg.'

Wie haar boeken niet kent, snapt niet hoe ze van haar voornaam ineens op haar joodse origine komt. Wie haar werk las, weet beter. Alle boeken van Lisette Lewin, of ze er nu feiten mee doorploegt of kiest voor haar fantasie, worden voortgedreven door een en hetzelfde thema: joden. Ze beredeneert wie zich joods voelt, op welk moment en waarom. Ze constateert het effect van joods zijn op de wel of niet joodse omgeving. Welk onderwerp ze ook aanvat, waar ze zich ook in verdiept, ze komt hier op uit. En niet altijd tot haar genoegen.

'Vroeger kon je me geen groter compliment maken dan op te merken dat ik er helemaal niet joods uitzag. Zei een man 'je lijkt wel een Italiaanse' dan mocht hij bij wijze van spreken direct mee naar bed. Niets aan te doen: Selbsthass is menselijk. Zo kan ik tegenwoordig vrouwen van mijn leeftijd haten, alleen maar omdat ze een ouwelijk kapsel hebben en toch even oud durven zijn als ik. Ik vind oud worden moeilijk. Het gaat me te hard en winst zie ik niet, of, zoals Somerset Maugham eens zei: getting old has some advantages but I can't remember which. Het enige voordeel is dat ik me minder op laat jagen. Ik heb niet langer het gevoel dat ik naar een feest of het café moet. Zolang het schrijven maar goed gaat, kan ik intens gelukkig zijn.'

Schrijven doet ze sinds ze in de jaren zestig journalist werd; boeken schrijft ze sinds ze in 1983 haar studie Het clandestiene boek 1940-1945 publiceerde. Dit energiek geschreven overzicht van de illegale literatuur tijdens de Duitse bezetting is inmiddels een standaardwerk geworden.

De moeder van Lisette Lewin overleefde de oorlog niet, haar iets oudere broertje stierf kort na de oorlog. 'Je gaat ze idealiseren, daar ontkom je niet aan. Uit de verhalen van kennissen maak ik op dat mijn moeder een leuk mens is geweest. Lief, intelligent en geestig. Misschien was mijn broertje een vervelende joodse drammer geworden, maar misschien ook niet en dan had ik een leuke broer gehad. Ik schrijf veel over familie: familie is warmte en dat je vanzelfsprekend bij andere mensen hoort zonder dat je er iets voor hoeft te doen. Maar ik denk dat ik dat idealiseer, ik kies er toch voor om nergens bij te horen.'

Haar vader ging zich na de oorlog Chris noemen in plaats van Kurt. Lewin beschreef haar stiefmoeder in Herfstreis naar Dantzig (1997): 'Joden, de twee mannen in haar leven niet te na gesproken, bezaten volgens haar hoogst irritante eigenschappen en ik was daarvan wel een bijzonder markant voorbeeld.'

En in haar romandebuut Voor bijna alles bang geweest (1989) herinnert hoofdpersoon Emma zich enkele van die als bezwaarlijk ondervonden eigenschappen: 'Krom lopen was joods, evenals je voeten naar buiten zetten in de 'woestijngang', hard praten, tactloos zijn, ad rem of geestig proberen te zijn, slordig zijn, je onvrouwelijk gedragen.

- Die grote neus en joodse ogen had je nu eenmaal. Daar was niets aan te doen.'

Lewin stelt vast dat ze overgevoelig is voor alles wat zweemt naar antisemitisme. Toch heeft ze zelf ook vooroordelen. 'Ik denk iets verschrikkelijks over een ander, nee, ik vertel niet wat. Hou op! zeg ik tegen mezelf, wat jij daar denkt is helemaal niet waar! Denken mag, zolang je maar niet naar die gedachten handelt.'

Vreselijk woord

Ze kijkt soms vreemd op van de manier waarop Nederland joden ziet. 'Er mogen hier maar twee soorten joden bestaan. Je hebt het wrak, dat vertelt over de ellende die de oorlog over hem heeft afgeroepen. En er is de jood die de Palestijnen bombardeert. Iets anders bestaat er niet voor de gemiddelde Nederlander. Ik weiger me onder te laten brengen bij een van die categorieën. Ik word graag uitgenodigd voor literaire avonden en toch weiger ik te komen zodra ik merk dat ze me niet als schrijfster willen maar als onderduikkind. Ik heb eens teruggeschreven dat ik graag voor ze wil optreden, maar dan op een avond over liefdesavonturen op een vakantiereis. Ik laat me niet opbergen in dat holocaust-getto.

'Vreselijk woord trouwens, holocaust. Joodse huilerigheid verafschuw ik. Ik sloeg het Pesach-nummer op van het Nieuw Israelietisch Weekblad. De eerste zin die ik las, was 'Hij huilde'. Ik heb het meteen weggelegd. Dat betekent niet dat ik het leed ontken. Er is geen jood in Nederland die daar geen last van heeft, ik ook, al was het maar doordat ik mezelf altijd zal blijven verwijten dat ik onvoldoende medelijden heb gehad met mijn vader en er te weinig begrip voor had dat hij zo beschadigd was.

'Mijn vader stierf toen hij 86 was. Was hij op zijn zestigste overleden, dan had het me minder gedaan. Nu gaat er geen dag voorbij dat ik niet aan hem denk. Altijd dreigde hij met doodgaan en toen deed hij het ook nog, gvd.'

Over haar vader schreef Lewin het schitterende boek Herfstreis naar Dantzig, waarvoor ze zich baseerde op zijn herinneringen aan zijn jeugd in Polen, en op de tocht naar Gdansk die ze samen (samen? voor 'samen' botsten hun karakters te sterk) maakten. Het is het verslag van een door de oorlog uit het lood geslagen vader-dochter-relatie. Maar het is ook Lewins getuigenis van verdriet om de dood van 'die oude jood van wie ik langer houd dan van wie ook'. Het is exemplarisch voor haar manier van werken. Zodra ze iets opschrijft, zet ze haar eigen persoon in. Onvoorwaardelijk. En dus maakt dit boek geen geheim van haar wanhoop over een verstoorde verhouding, die bijna ophield een familieverhouding te zijn.

'Sommige dingen waren heel moeilijk op te schrijven, ik vond mezelf wreed en mijn vader kon zich niet meer verdedigen. Achteraf spijt het me dat ik niet meer heb geschreven over mijn kindertijd met hem. Ik moest en zou het sober houden, ik was beducht om het larmoyant te maken.'

Op aandringen van zijn nieuwe echtgenote verbrak haar vader voor lange tijd het contact met zijn bijna volwassen dochter. Lewin schrijft, droogjes, niet rancuneus, wel gepijnigd: 'Zoveel was hij in zijn leven kwijtgeraakt waarvan hij hield, dat dit hem blijkbaar geen moeite kostte.'

Met twee woorden uit de mond van haar vader geeft ze tegenwicht. Die twee woorden zouden weleens de reden kunnen zijn voor het bestaan van Herfstreis naar Dantzig. Ze wilde ze opschrijven.

Ze staat aan het bed van haar vader dat, zo realiseert ze zich, zijn sterfbed zal worden. Haar vaders geest is ver weg. En wie bent u? vraagt hij haar. Geruime tijd slaagt ze er niet in om tot hem door te dringen. Dan:

' 'Lisetje!' riep ik, ten einde raad. Even klaarde zijn gezicht op. 'Mijn Lisetje?' '

Wraak

Lisette Lewin lijdt aan haar schuldgevoel, zegt ze, ze ligt er nachten van wakker. Mede om die reden schreef ze zo graag aan haar roman Een hart van prikkeldraad (1992). Het is het verhaal van Katwijkse Greetje, gek op opera en katten, maar vooral een moffenhoer. Lewin riep Greetje op in de ik-vorm. Ze kroop in haar, wat haar zeer beviel: 'Ik genoot van haar gebrek aan schuldgevoel. Dat Greetje haar opa verraadt aan de nazi's vind ik verschrikkelijk. Wat doet ze nou, dacht ik toen ik dat schreef. Maar het kon niet anders, het hoort bij haar. Greetje doet waar een ander alleen maar van zou dromen. Een hart van prikkeldraad is een roman over wraak. Opa heeft Greetje reden gegeven voor wraak en dus grijpt ze hem. Vlak niet uit dat ze dronken is, als ze hem aangeeft. Ik herken dat, in dronkenschap zoek je soms het risico dat juist de mensen bij wie je hoort niet meer van je kunnen houden. Pas achteraf zie je in dat je dat nooit had moeten doen.'

Wraak kan ook nuchter tot stand komen en kan dan heel goed smaken. Dat proefde Lisette Lewin in augustus 1982, toen ze een rekening vereffende die het weekblad Vrij Nederland bij haar had openstaan.

In 1977 zegde Lewin haar baan op bij de stadsredactie van NRC Handelsblad en gaf ze graag gehoor aan het verzoek om toe te treden tot de redactie van vn. 'vn gold als het walhalla van de journalistiek.' Maar al in de eerste maand bij vn wist ze dat ze zich had vergist: 'Je kwam er binnen, zei goedemorgen, maar in plaats van een groet terug klonk er: 'Heb je dat of dat al uitgezocht?' '

Lewin werd ongelukkig in die grimmige sfeer, die ze probeerde te ontvluchten met een enorme productie van grote interviews en reportages. Het mocht niet baten. Het democratisch collectief dat de redactie van vn was, besliste vijf jaar later dat er weliswaar niets aan te merken was op haar werk, maar dat ze toch weg moest. Lewin: 'Ze vermorzelden me en ik bleef maar aardig: typisch slachtoffergedrag.'

In 1982 sloeg Lewin terug. In haar jaarlijkse zomerrubriek nodigde vn de lezers uit om een verhaal te schrijven met als thema 'De crisis en ik'.

Lewin beschreef, enigszins onherkenbaar gemaakt, haar belevenissen met 'de grote bekken' van het redactiecollectief van het weekblad en stuurde het verhaal in, onder schuilnaam. Haar stuk werd niet alleen geselecteerd voor publicatie, er werd mee geadverteerd en het kreeg een prominente plaats. Toen was het tijd voor Lewin om te onthullen wie dat bewuste stukje had geschreven. 'Het deed me goed, dat spreekt vanzelf. Dat hele avontuur heeft me een diepe depressie gekost waarin onverwachts mijn verleden opspeelde: voor een deel van de redactie was ik ongewenst, waarom begrijp ik nog altijd niet, het deed me denken aan mijn stiefmoeder, die me ook niet kon verdragen.'

Familiegevoel

Joods zijn is allang geen ramp meer, vindt Lewin nu. Het geeft haar leven 'een extra dimensie', 'een familiegevoel'. 'Maar', zegt ze, 'het verbaast me hoe slecht joden met elkaar omgaan, of liever, ik heb weinig met ze op als ze zich manifesteren als joden. Wat zijn ze altijd druk elkaar te beschuldigen, onophoudelijk zijn ze tuk op het waarnemen van verraad. Relativeren valt ze moeilijk: de joodse gein, ooit zo'n sterk gegeven dat het een cliché kon worden, is in de oorlog om zeep gebracht. Arnon Grunberg blaast die gein nu nieuw leven in, ja. Maar zijn gein is anders, het is gein die door de oorlog is ontstaan en die had je voor de oorlog dus niet. Toch bewonder ik het standhouden van die klaarblijkelijke joden. Zonder hen zouden er, al was het maar door alle gemengde huwelijken, helemaal geen joden meer zijn. Is dat erg? Dat doet er niet toe. Is het jammer? Ja. Op de vrijdagen dat ik bij mijn vader ging eten, zag ik hem de kaarsen aansteken. Zijn ouders, die zich geen joden voelden, deden dat precies zo. Zijn grootouders ook. Dat idee ontroert me. Ik ben sentimenteel en het is van het grootste belang om dat bij het schrijven te vermijden. Je mag de hele tijd zitten janken, maar niet in je boeken. De mensen die het lezen, ja, die mogen weer wel janken.'

'Toen ik, in 1996, Vorig jaar in Jeruzalem had geschreven, dacht ik soms even dat ik erbij hoorde. Bij de joden, bij Israel. Mijn uitgever had me gevraagd om een half jaar door Israel te reizen. Reisboeken waren toen in de mode, maar ik had er geen zin in, er waren er al zoveel. Ik deed een jaar lang onderzoek naar de Palestina-pioniers. Ik begon bij mijn oom Sieg en tante Annie, de jongste zus van mijn moeder. Ze grepen me aan, de verhalen van mensen die alles opgaven voor een ideaal: luxe, hun milieu, geboorteland. Ga maar eens tussen de stenen zitten alleen omdat je vindt dat de joden een eigen land moeten hebben. Iedereen weet hoe verkeerd Israel het doet, maar er wordt aan voorbijgegaan dat die eerste zionisten uit het niets een welvarend land opbouwden waar stromen mensen op af zijn gekomen - dat was het onderwerp van mijn boek.'

'Mijn kleine zionisme', noemt Lisette Lewin Vorig jaar in Jeruzalem. Het is geschiedschrijving over de stichting van de joodse staat, oral history en het verhaal van een persoonlijke zoektocht. Lewin beschrijft in dit boek hoe ze zich, ondanks al haar kritiek, toch aangetrokken voelt tot Israel, tot de mensen die er wonen, het ideaal dat mensen en land verbindt en dat ook haar als vanzelfsprekend inlijft. Ze bezoekt de officiële dodenherdenking op de Herzl-berg in west-Jeruzalem waar ze zich uitlevert aan de sfeer van saamhorigheid. Iedereen huilt, zij ook. Ze denkt aan haar moeder 'die als jonge vrouw in een veewagen vier dagen lang naar haar dood moest rijden omdat ze joods was'. En dan weet ze dat ze niet anders kan dan afstand nemen. Ze beseft dat dit toch haar persoonlijke verdriet is. Ze schrijft: 'Waarom sta ik hier? Vandaag voel ik me met deze mensen verbonden, en ik hoor er toch niet bij'.

Ze benadrukt nog eens hoe ingewikkeld het ligt: 'Hoe joods ik me toen ook voelde in Israel, hoe aangedaan ik ook was toen ik voor het eerst een synagoge bezocht, over 'mijn volk' kan ik het niet hebben. Dat zou misplaatste trots zijn, want het heeft niets te maken met mijn eigen verdienste. Het zou net zo stom zijn als me ervoor te schamen.'

Lewin houdt van Israel en van de mensen daar, zegt ze. Maar ze wilde niet voorbijgaan aan sommige bittere pionierservaringen en evenmin maakt ze in haar boek een geheim van haar weerzin tegen de onbehouwen omgangsvormen in Israel, het constante gesnauw. 'Probeer in Tel Aviv een vrouw aan een informatiebalie een eenvoudige vraag te stellen en je krijg al je vet. Dat vanzelfsprekende gesnauw zal wel voortkomen uit het harde pioniersbestaan. En ze leven daar nu permanent in ongelofelijke spanning. Voortdurend voel je angst.'

De reacties op Vorig jaar in Jeruzalem troffen haar diep. 'Het riep veel ergernis op. Wat is dit voor een boek, wat wil ze ermee? Het antwoord leek me duidelijk: everything you always wanted to know about Israel but were afraid to ask. Zo werd het niet bekeken. Vooral niet-joden waren geïnteresseerd en ik heb een paar mooie recensies gekregen. Maar het boek wekte een partij woede die ik nooit had verwacht. Ik kreeg brieven van joden die vonden dat ik ze belachelijk had gemaakt en belasterd. De oude zionisten speurden naar fouten die ze natuurlijk vonden, de jodofielen vonden het niet heilig genoeg en weer anderen verweten me een gebrek aan kritisch bewustzijn.'

Waarom voelde ze zich geroepen om drie jaar te besteden aan dit boek, terwijl ze het veel leuker vindt om romans en verhalen te schrijven en het haar eigenlijk te lang ophield? ' Ik heb een missie. Wat ik te weten kom, wil ik verder vertellen. Dat is mijn journalistieke bloed.'

Herman Heijermans

Als kind wilde Lisette Lewin al schrijfster worden, geïnspireerd door de verhalen over haar oudoom van moederskant, Herman Heijermans. Het kwam er niet erg van.

'Tot mijn dertigste had ik nooit een echte baan. Ik vertaalde wat, uit het Frans, uit het Russisch, verder stond ik in café Hoppe aan het Spui in Amsterdam. Daar gebeurde alles in de jaren zestig en zeventig. Er werden politieke partijen opgericht en alle journalisten die ertoe deden kwamen er dagelijks. Zo belandde ik in de journalistiek. Dat vak trok me. Herman Heijermans schreef tenslotte ook voor kranten.'

Ze werd aangenomen bij de Volkskrant en na een jaar weer ontslagen. 'De oude garde redacteuren vond mij een rare meid. Ik hield ervan flink te zuipen met de jongens.'

Wat er na dat ontslag gebeurde, vertelde ze al vaker. H.J.A. Hofland trof haar huilend in café Hoppe. Hij vroeg haar of ze in staat was om met schone nagels om 9 uur op een krant aanwezig te zijn en nam haar ter plekke aan voor het Algemeen Handelsblad. Daar werd ze ter redactie ontvangen door hoofdredacteur Spoor. Die vroeg of ze hem dik vond. Toen ze nee zei, mocht ze blijven. Waarom? 'Ik heb later mijn stukjes nog eens bekeken, ik was gewoon goed. Daarom hebben ze me aangenomen.'

'Buiten dwarrelde de sneeuw, binnen werd in duistere cafés de jenever bijgeschonken waarboven de hele wereld werd doorgenomen. En

's ochtends wankelde je op je fiets naar de krant. Er werd verschrikkelijk veel gepraat. Je zette je af tegen het establishment, veel meer dan nu. Ik drong me in, in opinies waarvan ik me achteraf afvraag of die werkelijk zo zwaar voor me wogen. Misschien was ik bang dat ik er zonder zo'n mening niet bij zou horen.

'De winst van al dat gepraat was een overdaad aan plannen, de keerzijde dat ik veel tijd heb vermorst. Toen ik 25 was, was ik min of meer aan de drank. Maar de tijd rond 1965-1966 had ik voor geen goud willen missen. En nog altijd betreur ik dat je niet meer even naar het café kunt waar het vanzelf spreekt dat je er collega's treft met wie je kunt praten over wat je interesseert. Het is voorbij. De nieuwe journalisten hebben een kindje op hun rug en voor het café hebben ze geen tijd.

'Ik ben een kwart eeuw journalist geweest en ik zal het altijd wel een beetje blijven. Voor een groot literair oeuvre ben ik ook te laat begonnen. Aan het genie van Thomas Mann kan ik me niet meten en je moet Gerard Reve zijn, wil je kunnen lullen over niets. Mis je dat talent, dan moet je je documenteren. Mijn journalistieke achtergrond heeft me geleerd alles uit te zoeken. In Een hart van prikkeldraad beschrijf ik het dagelijks leven in bezettingstijd. Elk detail klopt, alles heb ik uitgezocht en gecheckt. Bleek dat er iets fout zat, dan herschreef ik dat. Ik liet bijvoorbeeld Greetje in 1949 naar Berlijn reizen. Ik checkte dat bij de Duitse ambassade na een opmerking van een meelezer van het riod. Een juffrouw aan de telefoon zei: ja hoor, dat was mogelijk. Ik antwoordde: uw stem klinkt nogal jong, wilt u het alstublieft navragen bij een ouder iemand? Die middag belde ze terug: in 1949 was het uitgesloten om naar Berlijn te reizen! Het gold toen nog als bezet gebied. Ik heb mijn boek aangepast, het had flinke consequenties. Maar stel je voor dat ik dat niet had geweten.'

Autobiografisch

De eerste roman die Lisette Lewin schreef, Voor bijna alles bang geweest (1989), zou aanvankelijk een sleutelroman worden over de Amsterdamse journalistiek. Maar het boek nam een andere wending. Haar eigen geschiedenis en achtergrond gingen een steeds grotere rol spelen. Fictie en feit verleidden elkaar.

'Ik verwerkte bijvoorbeeld het verhaal van mijn onderduiktijd. Ik had dat al vaak verteld, ik amuseerde er graag de omstanders mee, want het is een mooi verhaal. Het gaat over de gelukkigste tijd van mijn vroege jeugd toen ik ondergedoken was bij mensen met harten van goud. Ze waren op hun manier gereformeerd, met allerlei bijgeloof. Maar het gaat ook over mijn stiefmoeder. Ik hing veel vuile was buiten. Mijn vader wilde het, autoritair als hij was, 'controleren op onjuistheden'. Dat heb ik geweigerd. 'Je denkt toch ook niet dat Heijermans Kamertjeszonde aan zijn vader heeft laten lezen?', zei ik. Ik heb hem uiteindelijk de drukproeven gebracht. Hij zei dat hij zou kijken wanneer hij er tijd voor had. De volgende ochtend vroeg belde hij op. Hij had de hele nacht gelezen en hij was ontroerd en trots. Zelf kreeg ik het vooral erg benauwd, toen het was gedrukt. Ik had een roman over de journalistiek gewild, maar het was erg autobiografisch geworden. Ik dacht: ik kan me niet meer vertonen, niemand wil meer iets met me te maken hebben.

'Inmiddels is me duidelijk dat elke schrijver te rade gaat bij wat hij zelf heeft meegemaakt of gezien. Buddenbrooks gaat terug op de familie van Mann, allerlei personages en wendingen uit het werk van Tsjechov komen voort uit zijn eigen leven.'

Ook in Verliezers op zee, de verhalenbundel die dit voorjaar uitkwam, smeedt ze feiten om tot fictie voor vertellingen die lang niet altijd een 'ik' als hoofdpersoon hebben. Ze komt terug op haar tijd op de Veluwe, bij haar onderduiktante Pop, voor het roerende Mijn kersentuin. Het is een verhaal over onomkeerbaar afscheid. Het bijwonen van een joods congres in Wenen inspireerde Lewin tot een verhaal rond een dubbelganger van Theodor Herzl. 'De angst voor een aanslag in dat verhaal is de mijne. Maar niemand leek daar op Herzl, hoor, dat heb ik verzonnen. Wel was er eentje sprekend Alain Delon.'

Het langste verhaal in deze bundel is een tweeluik over een vrouw die heeft ontdekt dat ze niet een kind van haar ouders is, maar in de oorlog als onderduikbaby in dat gezin terecht is gekomen. Lewin vertelt over een telefoontje dat ze kreeg, laat op de avond: ' 'U hebt bij ons ondergedoken gezeten, in Wassenaar.' Dat klopte, ik ben daar kort geweest. Ik moest daar weg omdat de Grune Polizei een inval deed bij de buren.

'Die mensen hebben hun leven voor mij gewaagd. Ze hebben elke dag aan mij gedacht en ik kende ze niet eens. Ik was nog maar twee toen ik bij ze was, maar ik bleek me veel te herinneren. Hoe ik zat in een stoeltje op de fiets en ook dat er een baby was, een meisje. Hun dochter, nam ik aan, maar de vrouw die uit haar is gegroeid vertelde me dat zij was geadopteerd. Van haar herkomst is haar niets bekend. Het verhaal dat ik schreef gaat niet over haar, maar het begon wel bij haar verpletterende opmerking dat ze geen idee heeft waar ze vandaan komt.'

Lisette Lewin springt uit de stoel waar ze opgerold als een poes in heeft gezeten. Ze verlaat de kamer en komt terug met een beige wollen bundeltje. Een kinderdekentje, met in het midden een ingebreide L. Ze kreeg het in Wassenaar, waar het altijd bewaard was gebleven. 'Dat heeft mijn moeder gebreid.' M