Het doorgestoken latje

Hoe zag het Berlijnse tafeltje van Rietveld eruit? n De 'Berlijnse stoel' die Gerrit Rietveld in 1923 ontwierp, werd een van zijn bekende meubels, maar van het bijpassende tafeltje bleven slechts een paar onduidelijke plaatjes over. Intussen is het tafeltje op allerlei manieren gereconstrueerd.

Het tafeltje rust op drie poten: één echte tafelpoot en twee planken. Het blad lijkt vierkant, maar is het n‚t niet. Het geheel is asymmetrisch. En net als andere meubels van Gerrit Rietveld oogt het tafeltje tegelijk robuust en fragiel. Dat komt door de uitgekiende compositie van vier latjes en drie planken, door de toepassing van grijs en wit in het onderstel en zwart op het bovenblad en door de afmetingen: het tafeltje is 75 cm hoog en ietsje minder breed (70 cm) en diep (65 cm).

Hoewel het tafeltje een naam heeft - de Berlijnse tafel - en ook een jaartal, 1923, heeft het misschien wel nooit bestaan: het is de vraag of Gerrit Rietveld het ooit in het echt heeft gezien. Maar we weten wel zeker dat hij het raadselachtige tafeltje heeft ontworpen en we weten ook wat de aanleiding was voor het ontwerp.

In Berlijn zou in 1923 een grote tentoonstelling van moderne beeldende kunst worden gehouden, de Juryfreie Kunstausstellung, waarin ook ruimte was gereserveerd voor de toegepaste kunsten. Voor die tentoonstelling hadden Gerrit Rietveld en De Stijl-kunstenaar Vilmos Husz r een gezamenlijk project bedacht: een 'kleur-ruimte-compositie', waarin schilder- en interieurkunst een eenheid, een 'totaalkunstwerk' zouden vormen. Doordat de Berlijnse tentoonstelling werd afgelast, bracht het experiment van Rietveld en Husz r het niet verder dan een maquette.

Die maquette is helaas verloren gegaan, maar er zijn wel enkele afbeeldingen van bewaard gebleven. Die tonen een rechthoekig vertrek met daarin twee meubelstukken: een tafeltje en een stoel. De wanden, het plafond en de vloer waren door Vilmos Husz r geheel volgens de principes van De Stijl in rechte vlakken verdeeld die hij in de primaire kleuren geel, rood en blauw had beschilderd, en ook in wit, grijs en zwart.

'Wandbeelding', zo noemde Husz r zijn bijdrage aan het project. Die 'wandbeelding' moest in perfecte harmonie zijn met de twee meubels, de twee 'ruimtelijke composities' in het vertrek. Rietveld beperkte zich bij zijn tafeltje en stoel daarom tot wit, grijs en zwart.

Behalve de maquette zijn ook de ontwerptekeningen voor het tafeltje en de stoel verdwenen: Rietveld hechtte weinig waarde aan dat soort tekeningen en hij heeft er dan ook een heleboel van weggegooid. Voor de stoel was dat geen ramp, want die werd - anders dan het tafeltje - uitgevoerd. We weten dan ook precies hoe die eruit ziet.

Rietveld liet de stoel in 1924 maken, een jaar na de afgelaste tentoonstelling. Hij zette hem neer in het Utrechtse Schr"derhuis dat hij eveneens in 1924 bouwde. De stoel werd bekend als de Berlijnse stoel al heeft hij dus nooit in Berlijn gestaan. Het is een van Rietvelds meest extreme ontwerpen. Met de zwarte, loodrechte plank die dienst doet als rugleuning, ziet de stoel er streng en ongenaakbaar uit. Ook de armleuningen lijken de mens te willen waarschuwen dat deze stoel er is om naar te kijken en niet om in te zitten. Aan de ene kant vervangt een hoge, verticale plank de armleuning, zodat er weinig te leunen valt. Aan de andere kant is de leuning zo breed dat die meer een tafeltje lijkt. Je zou bijna denken dat Rietveld daarom de uitvoering van het bijpassende tafeltje maar achterwege liet: de stoel was immers al stoel-en-tafeltje ineen.

Het was grappig dat Rietveld de Berlijnse stoel nu juist neerzette in het Schr"derhuis. Tussen huis en stoel bestaan opvallende overeenkomsten en door Rietveld-experts wordt de stoel wel beschouwd als een soort voorstudie voor het huis. De horizontale en verticale geveldelen van het huis lijken net zo losjes met elkaar verbonden als de planken van de stoel. Stoel en huis zijn, met hun 'verschoven' vlakken, ook allebei even asymmetrisch.

Rietveld was bijzonder gesteld op zijn Berlijnse stoel: hij maakte er allerlei variaties op, zoals een uitvoering in spiegelbeeld. Nog in 1960, vier jaar voor zijn dood, gebruikte hij de stoel als uitgangspunt bij het ontwerpen van een serie zetels voor het bestuur van de Amsterdamse Rijksacademie voor Beeldende Kunsten.

Kleurplaatjes

Waarom Rietveld in 1924 alleen de Berlijnse stoel en niet het tafeltje in het Schroderhuis neerzette, is onbekend. Of hij ontevreden was en vond dat het ontwerp niet deugde - Rietveld heeft zich er nooit over uitgelaten en we kunnen er slechts naar gissen.

Net als tussen het huis en de stoel waren er ook tussen het huis en de Berlijnse tafel intri gerende overeenkomsten. Kenmerkend voor het Schr"derhuis zijn bijvoorbeeld de wisselende begrenzingen, waardoor 'buiten' en 'binnen' in elkaar overlopen. Ook bij het tafeltje is de contour, de buitenlijn, complex en vooral het onderstel heeft een heel open constructie.

Het lot van het Berlijnse tafeltje steekt tragisch af bij dat van de Berlijnse stoel. Niet alleen verdween de maquette waarin het op klein formaat was uitgevoerd, ook met het enige levensteken dat van het tafeltje bewaard bleef, de afbeeldingen van de maquette, ging nog iets mis.

Om een indruk te geven van hun onuitgevoerde 'Kleur-

ruimte-compositie', stuurde Vilmos Husz r in november 1923 twee op een briefkaart geplakte fotootjes van de maquette naar archtect J.J.P. Oud. Behalve die twee kleine en onscherpe foto -tjes bestaan er ook nog drie kleurplaatjes die in 1924 waren afgebeeld in het Franse tijdschrift l'Architecture vivante bij een artikel over de Nederlandse architectuur sinds Berlage. Vreemd genoeg tonen de kleurplaatjes wel dezelfde maquette maar niet exact hetzelfde tafeltje. Zo steekt op een van de plaatjes het dwarslatje in het onderstel niet door de witte plank naar buiten maar stopt het latje bij die plank. Bij het maken van de kleurendruk lijkt het stukje lat dat uit de plank hoort te steken, per ongeluk te zijn weggeretoucheerd.

Het foutje, dat alleen met een vergrootglas is te zien, had ver strekkende gevolgen. Zo baseerde de Amsterdamse architect Tjaarda Mees zich in 1982, bij een poging om de maquette met mini-tafeltje en -stoel te recon strueren, op het 'verkeerde' plaatje. Hij plaatste de latjesconstructie helemaal aan de binnenkant van de tafel, zodat de verticale plank een ononderbroken wit vlak vormt.

De Terneuzense ex-kok en Rietveld-liefhebber K. van Fraeijenhove probeerde in 1990 de ware gedaante van het tafeltje te achterhalen. Net als Mees ging hij bij de afmetingen uit van de verhouding tussen de tafel en de stoel in de maquette. Maar hij baseerde zich op een niet ge retoucheerd kleurenplaatje en bij zijn reconstructie steekt het latje dan ook door de plank heen.

Het lijkt een onbetekenend detail, maar juist omdat deze constructiewijze voor Rietveld ongebruikelijk was, is het toch cruciaal. Bij alle meubelontwerpen die Rietveld tussen 1918 en 1926 maakte, vormen de latjes een vrije, zelfstandige constructie en nooit liet hij ook maar een enkel latje door een plank heensteken. Was het misschien dit doorgestoken latje dat hem tegenstond in het Berlijnse tafeltje?

Volgens Van Fraeijenhove is zijn uitvoering van het Berlijnse tafeltje onweerlegbaar de juiste. In die overtuiging werd hij gesterkt door Gerard van de Groenekan, de in 1994 overleden meubelmaker van Rietveld. Van de Groenekan meende zich in 1990 te herinneren dat het tafeltje toch weleens was uitgevoerd - m‚t het door de plank stekende latje - al wist hij niet precies wanneer en voor wie en evenmin waar het gebleven was. Mocht zijn herinnering kloppen en dat ene, originele tafeltje ooit nog tevoorschijn komen, dan zou dat een eind kunnen maken aan de onzekerheden.

Intussen heeft het Berlijnse tafeltje niet alleen geïnspireerd tot min of meer 'authentieke' reconstructies, maar ook tot varianten. Zo deed vormgever Patrick Cannon onlangs een poging om het ontwerp waar Rietveld zelf kennelijk niet zo gelukkig mee was, te 'verbeteren'. Hij bedacht een lagere, een iets kleinere en, door het gebruik van dunnere planken, ook minder massieve versie van het 'Berlijnse tafeltje'. Volgens hem is deze aangepaste versie veel praktischer en bijvoorbeeld geschikt als bijzettafeltje in de zitkamer.

Misschien is er toch nog toekomst voor het raadselachtige Berlijnse tafeltje. M