Groen

De mooiste boomhut van Nederland staat langs de straatweg tussen Hengelo en Enschede, aan de rand van de Driener braken. Wie haar daar heeft neergezet, en of het lang of kort geleden is: ik weet het niet. De boom waarin ze is vastgetimmerd, op ongeveer tweeëneenhalve meter hoogte, heeft een bruingroene stam. De hut zelf is in de loop van de tijd ook groenachtig verweerd geraakt, de balken en planken druipen van het mos. Eigenlijk is het hutje meer een naar menselijke schaal uitvergroot vogelhuisje, het heeft iets surrealistisch. Alsof ergens in dit landschap de verwachting leeft dat in zo'n bouwsel onder bepaalde omstandigheden een bijzonder kind zal worden uitgebroed - half mens, half boom.

Iedere keer dat ik haar passeer (één maal per week om zes minuten over tien in de ochtend) valt me nog iets anders op. Dit onderkomen is niet eens als speelplek bedoeld, maar als beeld. Aan die indruk draagt vooral het wonderlijke licht bij, een heel specifieke lokale kleur, een soort etgroen, zoals het in het oosten heet. Die gloed komt nergens vandaan, of liever: ze straalt uit het mos en het omringende loof en zet zich voort in het bladerdak van andere bomen in de omgeving. Het geheel vormt één groot doorschijnend, van vocht doortrokken gewelf waarin het kinderhuisje wordt opgenomen. Een droom van een huis natuurlijk, zo dicht bij de hemel. En dat groen moet een van de stilste kleuren zijn. Wie er enige tijd in woont zal het praten wel verleren.

Onlangs was ik in het Stedelijk Museum onderweg naar de zalen met het werk van Georg Baselitz. Halverwege de trap bleef ik steken. In het prentenkabinet hing vrijwel het gehele oeuvre van Lamm. Henk Lamm, of Henk de Gek - het is zijn eigen typering - is een van de weinigen die het nurkse en vochtige groen van Overijssel treffend in beeld hebben gebracht. Hij leefde van 1908 tot 1957. Op zijn doekjes en tekeningen zie je daken achter struikgewas, een open plek in het bos, een boerenhofstede 'boven geboomte uitrijzende', of de schone was in de buitenlucht 'bij boerderij Oele' te drogen gehangen. Maar waar het werkelijk om gaat is dezelfde koele, verzadigde glans die rond mijn boomhuis zwemt. Het maakt Lamms schilderijen op een innemende manier broeierig en verstild. Met de persoonlijkheid van de kunstenaar is het ongeveer van hetzelfde laken een pak geweest, leerde ik uit de catalogus. Henk was de enige zoon van een smid; en een pijnlijk gesloten jongeman. Nadat hij begin jaren dertig de plaatselijke kweekschool had doorlopen werd hem een einddiploma onthouden. 'Te zeer in zichzelf gekeerd om voor de klas te staan', was het oordeel. Daarna draaide het alleen nog maar om het landschap. In zijn vrije tijd stroopte hij te fiets het platteland af, op zoek naar onderwerpen, dat wil vooral zeggen: op zoek naar plekken waar dat van God en alle engelen verlaten groen van Twente heerst.

Henk Lamm is niet de enige Tukker die de spraakzaamheid voor de kunst inruilde. De afgelopen twaalf jaar heb ik aan de oostgrens veel jonge kunstenaars leren kennen die het verdommen om iets te zeggen. Stomgeslagen jonge mannen en vrouwen. Hoe komt dat toch? Nu ik er over nadenk staan ze weer voor me. Een jongen die in de vier jaar dat ik met hem over zijn schilderijen sprak nooit iets anders tegenwierp dan een stamelend 'jargh' of 'hmpff' - geluiden waar bevestiging noch ontkenning uit was af te leiden, alsof hij van spreek- en streektaal alleen het (Almeloos) accent had opgepikt. Zijn tweelingbroer, ook kunstenaar, was zo mogelijk nog minder genaakbaar: een door kiespijn ingegeven blik, een verontschuldigende spinaziegroene oogopslag wanneer we aan elkaar voorbijgingen, meer niet. Dan was er de schilderes die in plaats van te praten op de vloer ging stampen - elk woord moest uit haar lichaam worden getrapt - en ondertussen kwijlde: een uitgesproken natuurtalent, en dat meen ik niet ironisch. En 'de wandelaar' niet te vergeten, van wie ik een prachtige reeks schetsen van bergen en bruggen in de Balkan bezit. Ik heb 'de wandelaar' wel eens een gesprek horen voeren, kortaf en in het onverstaanbaar vervormde Enskedeˆs dat hij ook met de rendieren van Lapland spreekt. Ach, en de introverte jongen die nauwelijks bewoog, die het spraakgebrek oploste door telkens de laatste drie woorden van mijn zin te herhalen, op een toon die volstrekte en oprechte verbijstering verried, alsof hij zojuist ter wereld was gekomen.

Georg Baselitz is andere koek, merkte ik in de erezaal van het Stedelijk. Op een schaal van mondje dicht naar ongegeneerd brullen, vertegenwoordigt hij het andere uiterste. Baselitz buldert maar door en het is niet van de lach.

Wat is toch in vredesnaam het verband tussen zwijgen en schilderen, of andersom: tussen luidruchtig tekeergaan en het verlies aan beeldende zeggingskracht? In het echt heet Baselitz Hans-Georg Kern; hij werd geboren in Sachsen - zeg maar: het Twente van Duitsland - in het gehucht Deutschbaselitz. Na zijn twintigste verhuisde hij naar Berlijn om in het Westen naam te maken als de kunstenaar die alles op zijn kop schilderde. Tegenwoordig wordt er weer geklaagd over dat ondersteboven schilderen. Het zou een pose zijn, een gimmick. Onterecht gemopper. Wanneer je het luide gevloek van Baselitz met het hardnekkige stilzwijgen van sommige Overijsselse kunstenaars vergelijkt, dan dringt zich juist een veel belangrijker bezwaar op. Baselitz kladdert namelijk met opzettelijke onverschilligheid reproducties na. Dat doet hij heel meeslepend, maar het blijven plaatjes, overleden plaatjes. Alsof hij ieder geloof in de schilderkunst verloren heeft, een hulpeloosheid die door het formaat en het gebaar eens indruk maakte, en nu versleten oogt. Met zijn kleuren is het hetzelfde. Hans-Georg Kern lijdt niet aan groen, hij wil er zelfs geen kennis van uitdragen, en dat is toch merkwaardig. Het bruin, het geel en grijs en roze dat hij gebruikt - ze stralen niet. Integendeel, het zijn illustraties van kleur, nagemaakt, afgeleid, verschoten, twee stadia verwijderd van de kleuren op het eerste plan (net als bij Markus Lüpertz). En wat het moeilijkste uit te leggen is: het op zijn kop schilderen, die afgetrokken kleuren, ze zijn heroïsch bedoeld. Achter al die namaak, achter die schijnbaar liefdeloze houding, gaat een grote hunkering naar de invloed en de macht van het woord schuil. Daarom, omdat we het beeld kwijt zijn, overschreeuwt Baselitz zichzelf.

Ze zijn me dierbaar, de zwijgers van Twekkelo. Het zullen niet de Baselitzen maar de Henk Lamms van morgen worden, en ze koesteren nog steeds een onwrikbaar vertrouwen in de schilderkunst, in het lokale van de schilderkunst. Schreeuwen doen ze nooit. Ik vermoed dat ze niet zijn geboren uit de moederschoot, maar op een dag spontaan en geheel volgroeid uit die boomhut aan de Hengelosestraat zijn getuimeld, sprakeloos van verbazing.