Goed kunstbeleid vereist ruimte

Het blijkt nog te bestaan, het socialistische geloof in de maakbare samenleving. Nota bene bij het lid van het kabinet dat getypeerd werd als de liberale econoom van de PvdA, de staatssecretaris voor Cultuur Rick van der Ploeg. Vorige week bracht hij zijn notitie Culturele Diversiteit uit. Hij maakt zich daarin zorgen over het feit dat de gesubsidieerde cultuur geen afspiegeling is van de samenleving. Er is nauwelijks oog voor de culturele behoeften van migranten en voor hun culturele producten. Allochtonen worden `uitgesloten' (alsof er een complot is van oudere autochtonen die de nieuwe Nederlanders effectief van de subsidieruif weg weten te houden). De overheid gaat dit nu voor ons oplossen.

De staatssecretaris wil van het cultuurbudget 40 à 60 miljoen (ongeveer 7 procent) afhalen om vervolgens te verdelen, niet meer op grond van kwaliteit, maar op grond van culturele diversiteit. Daarbij moet niet meer worden uitgegaan van de ondertussen breed onderschreven integratiegedachte, maar meer van de `eigenheid' van de verschillende etnische groeperingen. In commissies en besturen moeten veel meer migranten worden benoemd. Als voorbeeld noemt hij een fonds dat alle vacatures in zijn adviescommissies vervult met mensen van niet-Nederlandse afkomst, jonger dan 30 jaar.

Natuurlijk moet hard worden gewerkt aan de bevordering van integratie en van de interculturele samenleving. Maar daar hebben we vooral andere beleidsterreinen voor dan cultuur, zoals welzijn, onderwijs en werkgelegenheid. Cultuurbeleid is geen bemoeibeleid, zeker niet in deze vorm van staatsdirigisme, maar geeft juist ruimte. Ruimte voor ontwikkelingen die van onderop komen, in plaats van proberen het gras uit de grond te trekken. Hoe opener de wisselwerking tussen culturele instellingen en samenleving, hoe diverser het culturele aanbod vanzelf wordt. Dat is de benadering die gevolgd zou moeten worden. Van der Ploeg schrijft zelf dat er, voor wat het multiculturele karakter betreft, twee minder problematische sectoren zijn: popmuziek en literatuur. Precies die sectoren waar bij uitstek sprake is van marktwerking. In dat geval kan de samenleving, ook wat betreft haar interculturele karakter, zich dynamisch ontwikkelen.

Natuurlijk krijgt Nederland een steeds grotere culturele diversiteit. Door de eeuwen heen heeft Nederland open gestaan voor andere culturen en daar zijn voordeel mee gedaan – ook zonder overheidsbemoeienis. Niet door het kunstmatig bevorderen van buik -en klompendans, maar door nieuwsgierig te zijn en ruimte te geven. Dan kunnen culturele confrontaties tot nieuwe, interessante cultuuruitingen leiden. Nieuwe Nederlanders moeten niet worden doodgeknuffeld, maar serieus worden genomen. Zonder paternalisme, zonder het opdringen van hulp of het bevorderen van knuffelkunst.

In het subsidiebeleid gaat het evenzeer om ruimte geven en nieuwsgierigheid. Die ruimte moet worden gegeven door het verlenen van start- of stimuleringssubsidies aan onbekende initiatieven als nèt dat duwtje nodig is, waarna ze in de gewone molen moeten meedraaien, en het wegnemen van belemmeringen. De staatssecretaris maakt in zijn notitie overigens niet hard dat die er zijn. Ook niet als het gaat om deelname aan het gesubsidieerde culturele leven. Dat hangt namelijk niet zozeer af van iemands allochtone of autochtone afkomst, maar vooral van zijn opleidingsniveau. En daaraan moet worden gewerkt via het onderwijsbeleid.

Die nieuwsgierigheid vereist een opener houding van de beoordelaars. Zij moeten benieuwd zijn naar allochtone cultuuruitingen en zich verdiepen in etnische en andere subculturen. Vanwege dat vermogen en die brede blik zijn ze aangesteld. Dat is de weg die bewandeld moet worden. Niet een excuus-allochtoon toevoegen aan een adviescommissie. Waarom zou iemand met een Surinaamse achtergrond beter Turkse beeldende kunst kunnen beoordelen dan iemand uit Brabant? Of moet voor alle culturele minderheden een eigen beoordelaar komen, waarmee de kwaliteitsbenadering helemaal losgelaten zou worden? Je zou het haast denken als je de notitie goed leest.

Van der Ploeg betoogt dat het gesubsidieerde cultuuraanbod een afspiegeling moet zijn van de samenleving, waarin alle bevolkingsgroepen `iets van hun gading' moeten kunnen vinden. Dat klinkt mooi, maar welbeschouwd legt hij daarmee de bijl aan de wortel van het cultuurbeleid. Bij cultuurbeleid gaat het erom dingen mogelijk te maken die er anders niet zouden zijn, waardevolle cultuuruitingen die te duur, te riskant of te kwetsbaar zijn om zonder overheidssteun te bestaan. Dat betreft maar een klein terrein, want het grootste deel van het culturele leven vindt – gelukkig - plaats zonder directe overheidsbemoeienis. Als deze staatssecretaris zijn cultuurbeleid erop wil richten dat iedereen in dat gesubsidieerde hoekje iets van zijn gading kan vinden, kan hij zijn beleid beter uitbesteden aan RTL en Van den Ende. Die zijn daar namelijk ook op gericht en beter voor geëquipeerd. Bijna dagelijks kunnen we in Goede Tijden, Slechte Tijden een redelijke afspiegeling van onze multiculturele samenleving zien en iets van onze gading vinden.

Cultuurbeleid is kwaliteitsbeleid. Van der Ploeg lijkt echter de klok terug te willen draaien naar het postmoderne cultuurrelativisme van de jaren tachtig, naar de maakbare samenleving van de jaren zestig, naar de volksverheffing van de jaren vijftig, naar de verzuiling van de jaren dertig. De notitie Culturele Diversiteit is een gevaarlijke notitie.

Atzo Nicolaï is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de VVD-fractie.