GENETISCH IDENTIEKE MUIZEN GEDRAGEN ZICH ANDERS IN ZELFDE TESTS

Dezelfde muizenstammen, dezelfde tests, dezelfde lab-omstandigheden. En toch totaal verschillende resultaten. Drie Amerikaanse gedragsgenetici bestudeerden het gedrag van genetisch identieke muizen onder vergelijkbare omstandigheden op drie verschillende lokaties: Albany (New York), Edmonton (Alberta, Canada) en Portland (Oregon). De resultaten in de drie plaatsen liepen sterk uiteen (Science, 4 juni). Hiermee tonen de onderzoekers aan hoe moeilijk het is om de precieze invloed van genen op gedrag vast te leggen. Volgens de Amerikanen kunnen nauwelijks waarneembare verschillen in het milieu voor sterk uiteenlopende resultaten zorgen. Een van de auteurs, John Crabbe van het Portland Alcohol Research Center, heeft het al eerder aan den lijve ondervonden. Drie jaar geleden meldde hij in Nature Genetics dat muizen meer alcohol gaan drinken als ze het gen voor de serotonine-receptor (serotonine is een neurotransmitter) missen, maar het resultaat moest later weer worden herroepen.

De onderzoekers hebben er alles aan gedaan om drie identieke situaties te creëren. Ze begonnen hun tests op precies dezelfde dag, op 20 april 1998 tussen half negen en negen uur 's ochtends. Ze gebruikten genetisch identieke muizen, bovendien waren alle dieren 77 dagen oud. De condities waaronder de experimenten werden uitgevoerd – van de licht-donker cyclus tot het merk van het muizenvoer – waren vergelijkbaar. Toch gedroegen de muizen in Edmonton zich vaak anders dan die in Albany of Portland. Dat bleek bijvoorbeeld nadat muizen een cocaïne-injectie kregen en de onderzoekers het effect op de voortbeweging volgden. De muizen in Edmonton waren gemiddeld actiever dan die in de andere twee plaatsen. Ook de zogeheten elevated plus maze leverde verschillende resultaten op. Bij deze test plaatsen de onderzoekers een muis in het centrum van een groot plusteken dat een meter boven de vloer hangt. Twee van de vier armen hebben transparante muren, twee armen hebben geen wand en zijn dus open. Gekeken wordt hoeveel tijd de muis doorbrengt in elk van de vier armen. Dieren die voor de gemuurde armen kiezen, heten angstig. Degene die zich in de open armen wagen en over de rand turen zijn duidelijk minder geremd. Muizen waarbij het gen voor de serotonine-receptor was uitgeschakeld ondergingen vervolgens de elevated plus maze. In Portland bleken deze knock-out muizen actiever dan de wild-type muizen die het serotonine-gen nog wel hadden. In Albany was de situatie juist omgekeerd en in Edmonton waren de knock-out muizen net zo actief als de wild-type muizen. De muizen in Edmonton besteedden veel meer tijd in de open armen dan de muizen in Portland.

De gedragsgenetici wijten de verschillen aan nauwelijks waarneembare verschillen in het milieu. Ze zoeken het bijvoorbeeld in de samenstelling van het water, de manier waarop er met de muizen wordt omgegaan of de geur dan wel het uiterlijk van de proefnemer. Een van de drie, Douglas Wahlsten, is bijvoorbeeld zeer allergisch voor muizen en droeg tijdens de experimenten een ademhalingsapparaatje. Misschien heeft dat een effect op de muizen, suggereren de Amerikanen.

De drie gedragsgenetici pleiten er daarom voor dat experimenten met gemuteerde muizen altijd meerdere malen herhaald worden, in meerdere laboratoria, via verschillende tests. Pas dan mag een conclusie volgen over het effect van een gen op het gedrag.

(Marcel aan de Brugh)