Fout geparkeerd

De straat waaraan mijn kantoor ligt, staat op donderdag altijd vol met geparkeerde auto's. Het is de dag van de orthodontist en hij bestelt al z'n klanten tegelijk, lijkt het. De parkeerwachter weet al jaren dat hij dan hier zijn score haalt. De buurt is murw bekeurd en heeft waarschijnlijk het budget van het levensonderhoud aangepast. Geen pretparkbezoek meer, geen bijlessen, enkele vleesloze maaltijden per week, dan passen de parkeerbonnen in het dagelijks bestaan.

Ik rij weg van de groenstrook waar ik geparkeerd stond. Bij het stoplicht vijfhonderd meter verder rukt een parkeerwachter mijn auto open en sleurt mij er uit. Mijn hoed valt dwaas voor m'n ogen. Mijn jas verliest een knoop. Mijn bijrijder probeert verhaal te halen en staat op scherp. `Wat is er?!'

Verbijsterd probeer ik mijn auto weer in te stappen. Maar binnen één seconde staan er vijf mannen aan mij te rukken. Vier politiemannen en een parkeerwachter. Zien ze mij voor een ander aan? Klassenstrijd? Een smeulende haat? Ik heb een leuke auto, ik heb een hoed op ja, m'n nagels zijn gelakt, m'n schoenen zijn gepoetst en aan m'n jas is geen denim te pas gekomen.

In de politieauto begint de intimidatie: ,,U gaat de cel in. U moet al uw sieraden af doen, u wordt gefouilleerd.''

Ik begin te lachen. ,,Wie denkt u nou toch wie ik ben?''

,,U kunt beter een advocaat halen.''

,,Hou nou toch op.''

,,U praat net als m'n moeder'', zegt een agent. Ik kijk hem eens aan: ,,U zou m'n zoon kunnen zijn.'' En mompelend er achter aan: ,,Maar liever niet.'' Fout!

Bij het politiebureau rijdt de auto een hek binnen, dat onmiddellijk achter ons dichtgaat. Ik word uit de auto `geholpen' en direct in een cel gezet. Eén bij anderhalve meter? Een plank dient als bank. Ik ga zitten en bedenk dat ze me zes uur kunnen vasthouden. Een agent snauwt me toe ,,U wilt uw naam niet zeggen, dus houden we u vast.''

,,Maar u heeft mijn naam helemaal niet gevraagd'', reageer ik verontwaardigd.

,,Nee, u wilt uw naam niet zeggen, dus we houden u hier.'' En hij smijt de deur dicht.

Waar zal ik eens over gaan denken de komende zes uur? Er schiet van alles door me heen: arme politie, volledig gefrustreerd door uitdijende regels, ingeperkte bevoegdheden, gebrek aan natuurlijk gezag en een machtsgevoel dat alleen wordt gevoed door Amerikaanse politieseries. Maar ik vermoed dat ik na korte tijd in deze cel vooral vervuld zal zijn van woede.

Op de gang hoor ik mensen tegen elkaar schreeuwen. Zo af en toe kijkt iemand door het celraampje. Ik zie ze denken: kakwijf!

Een agente komt binnen. Ze haalt koffie voor me die ze aanreikt met rubber handschoenen. Ik probeer haar te vertellen dat dit een misverstand is. Ze lacht me vriendelijk toe.

Dan komt er een man binnen die zich voorstelt als hulpofficier van justitie. Het wordt vol op de één bij anderhalf. Hij vertelt mij wat de agenten hem verteld hebben en ik realiseer mij dat ik tegen vijf agenten nooit gelijk zal krijgen. Een gevoel van onbehagen bekruipt mij. Ik ben rechteloos. Ik kan zomaar opgepakt worden.

De hulpofficer loopt weg, de agente ook en ik zit in mijn cel. Het gekrakeel op de gang begint weer. Intens luister ik. Het is hier zeer gehorig. ,,Opschieten nu'', hoor ik, ,,ze moet snel weg. Er zijn fouten gemaakt. Waar is hij nu? Opschieten!''

De celdeur vliegt open. De hulpofficier nodigt mij uit mee te gaan naar een kamer waar de parkeerwachter een bekeuring zal uitschrijven: ,,Want u stond verkeerd geparkeerd.''

Ik ben perplex en het gevoel van onveiligheid komt weer opzetten. Omdat ik uit de ooghoeken van een parkeerwachter verkeerd geparkeerd stond zit ik nu in een cel? Ik kan het gewoon niet geloven.

Ik ga zitten, zet m'n hoed op en luister naar de hulpofficier. De parkeerwachter had via z'n mobilofoon geroepen dat hij als agent in nood verkeerde. En daarom waren – zonder onderscheids des persoons – twee politieauto's met vier agenten op mij ingereden. ,,Tja, hij heeft een fout gemaakt'', zegt de man tegenover mij. Er klinkt geen verontschuldiging in door.

Ik kan alleen maar m'n hoofd schudden. Het huilen staat mij nader dan het lachen. Ik mompel nog even dat ik aangifte van geweld wil doen.

,,Ach mevrouw, we doen toch niets met papieren, die schuiven we alleen maar heen en weer.''

Mijn bijrijder zit braaf te wachten in de hal. Wij houden elkaar even vast. In de hal zit ook een oudere vrouw die een hartaanval nabij is. Mijn bijrijder heeft met haar zitten praten. Ze is gevlucht voor haar man. De politie weet er van. Zij durft niet over straat. De politie doet niets. Wij brengen haar naar het huis van een kennis. Weg van die gefrustreerde rechtsdienaars.