Een beter leven

De terugkeer van de emigranten. Met honderdduizenden verlieten ze Nederland, in de jaren vijftig en zestig. Op de vlucht voor de woningnood en op zoek naar werk, naar ruimte, een toekomst. Nu de emigranten oud zijn, knaagt het heimwee. Precieze cijfers zijn niet bekend, maar de laatste jaren is het aantal repatrianten sterk toegenomen.

In de keukenkast staan cornflakes en als hij de koffie - slappe koffie - heeft ingeschonken, vraagt hij: 'Wil je een cookie?' Maar baked potato eet hij niet meer. Hij kookt zijn aardappels, drie keer per week. Op de andere dagen haalt hij kant-en-klaar maaltijden bij de supermarkt. Baked potato, dat maakte zijn vrouw toen ze nog in Amerika woonden. Wikkel een grote aardappel in folie, zet hem een uur in de oven, doe er wat boter bij en eet hem bij je T-bone steak. 'Heerlijk.'

Maar zijn vrouw is dood en hij woont nu in Nederland, in zo'n aanleunwoning bij een bejaardentehuis, Capelle aan den IJssel. Aart de Lede heet hij. Hij is bijna 71, hij rookt aan één stuk door Marlboro's - dat hebben ze hem in vijfendertig jaar Amerika niet kunnen afleren - en hij draagt een wit poloshirt, in zijn broek.

Vier keer heeft hij al met zijn koffers klaar gestaan om terug te gaan, de laatste keer in oktober. De tickets lagen al op het reisbureau. Maar toen werd hij ziek. Vocht achter zijn longen. Hij werd middenin de nacht naar het ziekenhuis gebracht. Ik kan hier niet blijven, zei hij tegen de arts die hem behandelde. Ik wil naar Amerika. Maar de arts zei: you are not going anywhere. Of nee, hij zei natuurlijk gewoon: u kunt nu niet weg.

Op een vrijdagochtend mocht hij weer naar huis, in een rolstoel. God, wat zie jij eruit, zei de conciërge. Ze moesten hem naar boven brengen, hij kon helemaal niets. Gelukkig was daar wel de lady van een paar deuren verder. Die heeft hem een maandlang verzorgd. En gelukkig kreeg hij daarna de kans om wat terug te doen, want toen moest zij naar het ziekenhuis en ze vroeg: wil jij op mijn hondje passen? 'Ik zeg: welja, joh.' En toen ze weer terug was, zei hij: als je me nodig hebt, dan bel je maar, ik rij je zo overal heen.

De laatste maanden gaat het wel met hem. Hij heeft het wel benauwd, vooral 's morgens bij het opstaan, met al dat slijm built up in zijn luchtpijp. Maar hij heeft goede medicijnen en hij weet: ik moet hier mijn home maken. 'Dat is the hardest thing', zegt hij. 'Ik kan het haast niet vertellen, waarom dat zo moeilijk is.'

Zijn hart is nog daar, zegt hij. Als hij kinderen had gehad, dan was hij nooit teruggegaan.

Een deel van het verhaal is bekend. Driehonderdvijftigduizend Nederlanders gingen in de jaren vijftig en zestig weg, naar de landen waar ruimte was, en werk, en geen oorlog, en waar volgens de voorlichters van de emigratiedienst altijd de zon scheen en het geld voor het opscheppen lag, als je je handen maar uit de mouwen wilde steken.

'Van die zon was waar', zegt Gerrit Textor die naar Nieuw-Zeeland ging. 'Tenminste, in het noorden.'

Ze hadden geen idee waar ze terecht zouden komen. 'De meesten gingen naar Canada', zegt Textor. 'Daarom wilde ik naar Nieuw-Zeeland.' Hij heeft verder nergens over nagedacht, zegt hij. 'We gingen gewoon.'

De rest van het verhaal had iedereen kunnen uittekenen. Maar niemand die het deed. De katholieke voorlichters niet, de protestants-christelijke voorlichters niet, de neutrale voorlichters niet. En het ministerie van Sociale Zaken, waar de emigratiedienst onder viel, al helemaal niet. De Nederlanders die vertrokken waren weg en bleven weg - voor altijd.

Maar dat was niet zo.

De emigranten werden ouder en duizenden kregen heimwee. Of ze hadden geen heimwee, maar ze wilden toch terug. Of ze waren nog niet eens zo oud en wilden ook terug. Terug naar Nederland. Terug naar de gezelligheid van de verjaarspartijtjes, van de buren die een bloemetje komen brengen als je ziek bent. Terug naar de zekerheid van het ziekenfonds en een nieuwe rolstoel van de gemeente als je niet meer kunt lopen. Naar de rust van een graf in het geboorteland.

Vanaf 1980 begonnen ze te komen - eerst met tientallen per jaar, daarna met honderden en in 1996 kwamen er bijna vijfduizend terug, volgens het Bureau voor de Statistiek. En dat zijn alleen de gegevens van ex-emigranten die langer dan twintig jaar zijn weggeweest ‚n Nederlander zijn gebleven. Hoeveel genaturaliseerde ex-emigranten zijn teruggekomen is niet bekend. Geen instantie die het bijhoudt. (Wel het totale aantal mensen uit Canada, Australië en de andere emigratielanden. Maar niet of die mensen vroeger Nederlander waren.)

Serieus onderzoek waarom ex-emigranten weer in Nederland zijn komen wonen, is er ook niet. De motieven van asielzoekers om hierheen te komen - d¡‚ worden bestudeerd. En de motieven van oudere Turken en Marokkanen om weer naar h£n geboorteland te gaan.

Hard leven

Heimwee. Maar is het alleen heimwee? 'Je dacht dat je het goede deed', zegt Ben van der Moezel die ook naar Nieuw-Zeeland ging. 'Maar er kwam geen eind aan de moeilijkheden.'

'Ik heb overal voor gevochten en uiteindelijk had ik alles', zegt Gerrit Textor. 'Maar ik had niets.'

Het is ook: een leven lang hard werken en niets terugkrijgen. Ben je ooit weggegaan, dan denk je vroeg of laat dat het helpt om terug te keren. Dat thuis alles wordt opgelost. Nu ze thuis zijn, hebben ze w‚‚r heimwee.

Had de reis een week langer geduurd, dan was Gerrit Textor (73) nooit getrouwd met zijn eerste vrouw. Dan had hij het uitgemaakt, meteen nadat ze in de zomer van 1951 in Nieuw-Zeeland waren aangekomen. 'Ze begon me te domineren', zegt hij. 'Dit kon niet en dat kon niet en alles was haar te veel en ze was de hele tijd zeeziek. Toen we aankwamen was de verliefdheid wel over.'

Maar dan sta je daar in een dorp in the middle of nowhere. Je moet een baan zoeken, een huis bouwen, de eerste baby dient zich aan en als je dan ook nog het geluk hebt dat het garagebedrijf dat je van je spaargeld koopt een goudmijn blijkt door de prachtige ligging langs een steeds drukkere snelweg, dan wil je wel vergeten dat je een rothuwelijk hebt. Totdat je ouders een keer overkomen voor de kleinkinderen. 'Toen werd het gillen en krabben.' En totdat je beseft dat een goedlopende garage een hel is. 'De politie belde me dag en nacht, omdat ze wisten dat ik een kraanwagen had.'

Hij kocht een tabaksplantage en probeerde het nog één keer. Maar drie jaar later hield hij het niet meer uit. 'We hadden een huis met twee oprijlanen. Zij nam altijd de deftigste, die bij de voordeur uitkwam. The queen has arrived, zeiden de werkneemsters.' Hij ergerde zich dood.

Hij begon een handel in kruidenierswaren en ontmoette een nieuwe vrouw. Mooi was ze, met prachtig zwart haar - een nazaat van de mannen van de muiterij op de Bounty. 'Ik denk nog vaak aan haar.' Maar trouwen wilde hij niet, want zo'n mooie vrouw heb je nooit alleen. En dat bleek ook wel, want toen hij een keer drie weken was weggeweest, had ze een ander. Met de volgende trouwde hij wel, in 1969. Hij was 42, zij 24. Zij was ook mooi, een balletdanseres die bovendien tapte, 'heerlijk om te zien'. Toch ging het lang goed. Ze kregen twee kinderen. De zaken floreerden. Toen de jongste geboren was, ging zij ook werken, in de keuken van een groot hotel. De problemen begonnen toen ze opklom: baliemedewerkster, cheffin, manager. 'Zij kwam om twee, drie uur 's nachts thuis, ik moest om zes uur mijn bed uit. Ik kon dat niet tolereren. Ik draaide voor de kinderen op, hun moeder had nergens tijd voor.'

Hij wilde dat ze ophield met werken. Zij zei: waarom ga je niet eens lekker voor een poosje naar Nederland? Of daar nou wat achter zat, weet hij nog steeds niet. Maar toen hij terugkwam, had ze een ander.

In 1989 is hij weer in Nederland gaan wonen. Het was niet alleen de scheiding. Het was ook, ja, wat eigenlijk? Op de golfbaan kwam er een keer een man naar hem toe en die zei: I don't like you bloody Dutchmen. 'Ik vraag: waarom? Hij zegt: jullie hebben een huis, een caravan, een mooie auto, jullie pikken ons werk in, jullie hebben alles. Ik zeg: ik heb niet eens een caravan. En ik zeg: jij weet niet wat werken is en daarom ben jij ook zo dik.'

Hij had nooit gedacht dat hij terug zou komen. Maar nu hij hier weer is, vindt hij het hier 'knusser', de huizen zijn prettiger ingericht. En je kunt er zo leuk naar binnen kijken als je 's avonds nog een blokje om gaat. Hij heeft nog vrienden van vroeger. Een vriendin bij wie hij regelmatig koffie drinkt. Hij golft en hij kaart.

Maar toch. 'Ik zou in Nieuw-Zeeland goedkoper kunnen leven dan hier. Er is daar nog een flat voor mij vrij. Je betaalt er maar tachtig cent voor een liter benzine. Je betaalt geen wegenbelasting. Een kilo biefstuk kost er tien dollar. De laatste keer dat ik er met vakantie was - ik kom een Zwitser tegen, we lopen een kroeg in en daar staat zo'n nieuwe gokmachine, win duizend dollar. Ik gooi er zeventien dollar in, komen er 927 uit!'

Zijn kinderen zeggen: kom terug naar Nieuw-Zeeland. De laatste vakantie dacht hij: werd ik maar verliefd, werd ik hier maar hartstikke verliefd. Hij is wel verliefd, maar ze woont in Nederland. Nee, niet die vriendin, iemand anders. 'Ze is getrouwd. Ik mag er niet aankomen.'

Gerrit Textor woont in Hengelo, op de bovenverdieping van een jaren-vijftig duplex-woning. Zijn ex-echtgenotes waren zakelijk, zegt hij. Die zijn nu rijk. Hij niet.

Aart de Lede uit Capelle aan den IJssel was rijk geweest als hij niet alles had moeten uitgeven aan de doktersrekeningen voor zijn vrouw. 'Ze was diabeet en toen kwam de lever erbij, en haar hart en de longen en op het laatst kreeg ze ook nog kanker.' De honderdduizend dollar die hij had gespaard was nog te weinig. Toen hij zijn baan was kwijtgeraakt, op zijn 62ste, kon hij geen ziektekostenverzekering meer krijgen. Het wordt tijd dat we teruggaan, zei hij tegen zijn vrouw. Dat was in 1996. In december 1997, vlak voor de verhuizing, overleed ze. Hij heeft haar daar laten cremeren. De urn is hier begraven. 'De dominee zei: als je haar in een coffin meeneemt, kost het je achtduizend dollar.'

Zijn aanleunwoning staat vol met pluche en kristal en porseleinen herderinnetjes - zijn vrouw verzamelde graag. In de fauteuils zitten teddyberen, maar die zijn niet allemaal van haar geweest. E‚n heeft hij gekregen van de lady.

Bakker

In de woonkamer van Ben van der Moezel (41) - jaren-zeventig nieuwbouw, Oisterwijk - staat niet veel meer dan een bank, een witte kunststof tafel en een paar stoelen. En een grote televisie. Zijn zoontje van acht, die van zijn moeder allang in bed had moeten liggen, zit er muisstil naar te kijken. Zijn broertje van tien zit de halve avond bovenaan de trap.

In Nieuw-Zeeland was Ben van der Moezel kok. Hier werkt hij als productiemedewerker in een rubberverwerkend bedrijf, voor 2.000 gulden in de maand. De huur van zijn huis is 780 gulden. Hij is bakker van beroep, maar dat wil hij niet meer. 'Altijd 's nachts werken. Je ziet je kinderen nooit.'

In Nieuw-Zeeland - hij ging er in 1984 wonen met zijn Nieuw-Zeelandse vrouw - deed hij het jaren. 's Avonds werken, 's nachts werken, 's morgens soms ook weer werken, af en toe 's middags vrij. En als hij thuis kwam, ging zijn vrouw weg - die zat in de verpleging. Het was nog wel vol te houden geweest, als het iets had opgeleverd. Maar het was altijd 'keihard buffelen', bijna zonder vakantie. En had je net een beetje gespaard, dan ging de televisie stuk.Ze gingen weg omdat hij hier geen werk kon vinden. Elf jaar had hij gevaren voor Nedlloyd - eerst als bakker, later als kok - en toen werd hij op non-actief gezet. 'Ze namen Indonesiërs in onze plaats.' Hij kon er niet tegen om in de ww te lopen. En toen zijn ze maar gegaan - door haar konden ze een verblijfsvergunning krijgen. Zijn eerste baan was in een restaurant, hij maakte er zeshonderd maaltijden per dag. In zijn tweede baan was de afspraak: 350 dollar per week en een dollar extra per maaltijd. 'Die kreeg ik natuurlijk nooit.' Daarna begon hij een eigen zaak, een koffiehuis. Helaas op het verkeerde moment.

'Een nachtmerrie', zegt zijn vrouw. Ze had net een baby.

'We verloren bijkans ons huis', zegt Ben van der Moezel.

'Om de schulden te kunnen betalen, moest hij weer een baan nemen', zegt zijn vrouw.

In 1997 verhuisden ze in Nieuw-Zeeland van Auckland naar Whitianga, een dorp met drieduizend inwoners aan de zuidoost-kust. Ze dachten: daar is het leven easier. Dat was het ook - in de zomer, als de toeristen kwamen. 's Winters was het er doodstil. Ben van der Moezel vond weer een baan in een restaurant, maar na acht maanden hield hij het er niet meer uit. 'E‚n koelkast, één diepvrieskist, geen tegels aan de muren. Als het regende liep het water zo door de keuken.' Maar een andere baan vond hij niet meer en er zat niets anders op dan dat hij bij zijn oude werkgever ging vragen of hij terug mocht. Dat kon - voor de helft van het geld. Ze konden er niet van rondkomen. En toen overleed zijn zuster. Hij ging naar Nederland en hij had er nooit eerder aan gedacht, maar opeens wist hij: ik wil terug.

Eén minuut had hij nodig om zijn vrouw te overtuigen. 'We hadden niets te verliezen', zegt zij.

'We konden alleen maar hopen op een beter leven', zegt hij.'Hier kun je met je kinderen naar de speeltuin', zegt zij. 'Heb je daar niet.'

'Of met elkaar op een terras een biertje drinken', zegt hij. 'Doe je daar niet.'

'De scholen', zegt zij. 'Perfect georganiseerd.'

'Alles is hier perfect georganiseerd', zegt hij. 'En je kunt toch doen wat je wilt.'

E‚n klacht hebben ze maar over Nederland. Het gevoel dat ze niet welkom zijn. 'Ik heb vroeger hier in Oisterwijk gewoond', zegt Ben van der Moezel. 'Dus ik ga naar de gemeente en ik zeg: ik heb hier gewoond en mijn zus woont hier en mijn neef en mijn nicht, kan ik terugkomen? Die man zegt: terugkomen? Eens kijken, je bent geboren in Schiedam, ga maar lekker daarheen.'

Zijn vrouw: 'Dat komt door de asielzoekers.'

Avontuur

Hun vaders waren schilder, voeger, schillenboer of timmerman. Hun moeders waren huisvrouw. Zelf gingen ze tot hun 14de, 15de naar de lts - en daarna werken. Ben van der Moezel had een rotjeugd. Zijn ouders dronken en vochten. 'Als ze daar tegenwoordig achterkomen, halen ze je het huis uit.' Zijn moeder overleed toen hij tien was. Toen zijn vader een jaar later hertrouwde, wilde hij alleen nog maar weg.

Gerrit Textor moest naar Indië en hij herinnert zich nog goed hoe hij weer thuis kwam, eind 1948. 'Het was nacht, ik kwam door de douane, ik zag al die mensen en ik dacht: ik blijf hier niet.' Zijn moeder vroeg: wat is er toch met je, jongen? Nu weet hij het: hij wilde geen gewoon mannetje zijn. 'Ik heb drie dagen op de tekenkamer bij Stork gezeten, de muren klapperden om mijn oren.'

In Indië, zegt hij, was hij vrij geweest. Hij had het avontuur geroken. De vrouwen, zegt hij, speelden daarin wel een rol, ja. Hij had, toen de oorlog daar voorbij was, een plantage willen beginnen. Maar toen kreeg hij bericht: je vader ligt op sterven. Hij was op het vliegtuig gestapt.

Aart de Lede dacht nooit aan weggaan, maar toen zijn zuster naar Californië ging (met haar man die in Indië had gevochten), toen dacht hij: waarom niet? 'Ik hoorde dat het zo mooi was daar.' Hij woonde met zijn vrouw in een caravan op het erf van zijn vader, ze konden geen kinderen krijgen, en zij zei: wat moet ik hier?

Hij had het de eerste jaren wel moeilijk in Amerika. Hij vond het ongezellig om 's middags uit zijn werk te komen - monteur, later vrachtwagenchauffeur - en alleen maar hi, how are you tegen de buren te zeggen en verder niks. Maar zijn vrouw had Nederland vanaf de eerste dag losgelaten. 'Haar kon je overal planten'. Als er een brief moest worden geschreven, deed zij het. Een schippersdochter die nooit naar school was geweest.

Hendrik Deurhof (79) laat een briefje zien waarop in ouderwetse typeletters staat dat hij gediend heeft in het Nederlandse leger en in mei 1940 gevochten heeft. 'Daarom', zegt hij, 'vind ik dat ik recht heb om hier te wonen.'

Hij is nog maar net terug in Nederland, de meubelen zijn er nog niet eens. Zijn huis, in de nieuwbouw van Groningen, is leeg. Maar of hij hier mag blijven is de vraag. Hij liet zich in 1961 naturaliseren tot Australiër. 'Ik kan mezelf bedruipen', zegt hij. 'Ik hoef geen geld van de regering.' Maar door suikerziekte is hij zijn benen kwijtgeraakt en hij weet dat ze hem omgekeerd in Australië nooit zo zouden toelaten. Want nu zorgt zijn (derde) vrouw nog voor hem. Maar straks?

In de oorlog moest hij naar Duitsland en toen hij terugkwam, wilde hij meteen weer weg. 'Ik vond het hier benauwd.' In de krant las hij dat in Australië bakkers werden gezocht en in 1951 vertrok hij, met zijn eerste vrouw. Ze kwamen aan in mei, prachtig weer, prachtig land, maar het eerste jaar was één doffe ellende. Ze wilden niet naar een van de opvangkampen waar de meeste immigranten naartoe gingen zolang ze nog geen huis hadden gevonden. Ze sliepen in een zelf meegebrachte legertent, vlak buiten Brisbane - zonder water, zonder verwarming, zonder wc. Wel overal mieren. En zijn vrouw durfde die tent niet uit. De eerste keer dat ze naar de stad ging, verdwaalde ze en kwam ze uren later huilend terug.

En dan hij. Hij ging de eerste dag werk zoeken in Brisbane, hij had geen auto of niets. Dus stak hij zijn duim op - doodsbenauwd dat er iemand zou stoppen. Hij sprak geen Engels, wat moest hij zeggen? In het woordenboek had hij opgezocht wat bakker was, compractioner dacht hij. Bij het eerste het beste bedrijf werd hij meteen aangenomen. Hier heb je suiker, hier is het recept, ga je gang maar. Hij moest lollies maken. 'Het lukte wel, maar het duurde uren.' Hij stond dezelfde dag nog op straat.

Bij het volgende bedrijf stond hij ook meteen weer op straat, want al wist hij nu dat hij zich moest verkopen als pastrycooker, hij had geen rekening gehouden met het tempo. 'In Australië gaat het niet om goed of lekker. Het gaat om veel.' Grote ronde cakes met suiker erop. Meatpies met veel vet en een beetje vlees. Acht, negen keer werd hij ontslagen voordat hij het net zo snel kon als de Australische bakkers. Hij begon een eigen zaak, maar die liep niet. Hij begon een andere zaak en die liep wel. Hij kocht een huis en een auto, hij had al een dochter en toen liep zijn huwelijk stuk. 'Ik werkte altijd en zij wilde uit.'

Hij pakte zijn koffer en ging terug naar Nederland om een nieuwe vrouw te zoeken. Dat was in 1962. Op een vrijgezellenavond leerde hij een meisje kennen, 20 jaar, ze wilde meteen met hem mee. 'Ik had een mooie auto, hé.' Na drie jaar bracht hij haar terug bij haar moeder, want zij wilde kinderen, en hij niet. Na een abortus weigerde ze om nog met hem in één bed te slapen. Hij ging weer op zoek naar een nieuwe vrouw - in Nederland, want een Australische moest hij niet. 'Die willen picknicken. Ze leggen een kleed in het gras en dan moet je daarop gaan zitten eten, met al die vliegen om je heen.'

Hij trouwde uiteindelijk met Loesje, een weduwe van 40 met twee zoons. Ze zocht een man, ze had een advertentie gezet. Ze werkten samen in de zaak tot hij ontdekte dat hij ziek was. Ze gingen reizen, de hele wereld rond. Het heimwee begon toen zijn eerste been eraf was en ze naar een village voor seniors verhuisden. 'Ik dacht steeds: daar loopt mijn moeder.' Ze kregen bovendien last van de hitte. Nooit hadden ze er last van gehad, maar opeens voelden ze hoe de zon brandde, dag in, dag uit. En dan die mentaliteit van de Australiërs. Kil. Op zichzelf. Niet hartelijk - zeker niet tegen buitenlanders. Nooit zullen ze je eens vragen voor een kopje koffie.

'Hier kwamen de buren de eerste week dat we hier woonden al een plant brengen', zegt zijn vrouw.

In maart kwamen ze aan. Zijn rolstoel bleek te breed voor de deuren hier. Maar een nieuwe scooter hebben ze al. Daar gaan ze iedere middag mee op stap, kijken naar de boerderijen en de weilanden. Want Australië is mooi. Maar Holland is veel mooier.