De schijngestalten van Morpheus

Over de tegenstrijdigheid van de mens. Ik heb jaren geleefd met een man die kort voor ik hem ontmoette in een 'spraakmakend' essay tegen de beeldcultuur ten strijde was getrokken, maar later nooit zonder heimwee zou praten over de avonden dat wij samen op de bank naar Heimat keken.

Ergernis over de heerschappij van de beeldcultuur wordt meestal gevoed door bekommernis om het welzijn van de woordcultuur. Het kwalijke van de beeldcultuur is dat zij de woordcultuur dreigt te verstikken, of juister: de geschreven woordcultuur want natuurlijk wordt er in film en vooral op televisie naar hartelust gekletst. Zullen jongeren die op een dieet van film en televisie zijn grootgebracht, ooit in staat zijn een fatsoenlijke zin op papier te zetten?Zullen zij ooit een boek ter hand nemen? Kunnen zij nog wel de daartoe noodzakelijke concentratie opbrengen?

De man die dat essay over de nakende teloorgang van de woordcultuur heeft geschreven, leeft niet meer maar ik heb hem op band, hij is nu zelf een stukje beeldcultuur. En natuurlijk is hij ook woordcultuur, want ook zijn stem is op band vastgelegd, en veel van wat hij ooit heeft geschreven kan bij de betere boekhandelaar worden gekocht of in een bibliotheek opgezocht, zoals bijvoorbeeld dat essay over woord- en beeldcultuur, en de onvermijdelijke spanning tussen beide. Al is deze man er niet meer, je kunt hem nog altijd lezen en je kunt naar hem luisteren en je kunt naar hem kijken, maar zelf is hij er niet.

Ik veronderstel dat het een troostende gedachte zou moeten zijn dat iemand die weg is, toch nog kan worden gezien en gehoord, maar vreemd genoeg sta ik vooral tegenover de videobanden met een bijgelovige achterdocht die naar men zegt typerend is voor bepaalde primitieve volkeren, en bijvoorbeeld ook hun angst voor fototoestellen verklaart, angst die rechtstreeks zou voortvloeien uit het rotsvaste geloof dat wie een foto van zich laat maken eigenlijk zijn ziel prijsgeeft.

Wij zijn niet primitief en noemen deze reactie dus naïef, maar meer en meer ben ik ervan overtuigd dat in mij een verstokte primitieveling schuilt, want ook ik hou er niet van als mensen een foto van me maken, zeker wanneer het onverhoeds gebeurt of zonder dat ik er erg in heb. Ook ik voel me aangerand door de plotselinge klik, het verblindende flashlicht, het bevel tot lachen. Geef mij dan maar de eerlijkheid van de professionele fotograaf, de duidelijkheid van de afspraak tussen beide partijen.

En het is ook om moedeloos van te worden, die dwangmatige drang om altijd overal foto's van te maken. Kiekjes. Uw mooiste souvenirs! Alsof je op die manier iets of iemand zou kunnen vasthouden.

Natuurlijk zijn ook mijn man en ik meer dan eens gewapend met een fototoestel op vakantie vertrokken, zeker wanneer onze dochters van de partij waren, die elk hun eigen Kodaktoestelletje hadden waarmee ze soms verrassend knappe foto's maakten. En zo zit er in het familiealbum een foto waarop mijn man uitkijkt over de stad waar hij twee jaar later zou komen sterven. Hij bijt op zijn lip alsof hij zich vertwijfeld afvraagt welke straat hij in 's hemelsnaam in dat labyrint moet uitkiezen. Eigenlijk zijn het twee foto's die we aan elkaar hebben gekleefd vanwege het kunstige panoramische effect. We waren daar nogal trots op, dat ons dat met zo'n Kodakding was gelukt.

De primitieveling in mij is niet bang van deze foto of van enige andere foto in het album, misschien omdat ik ze zelf heb geselecteerd en ingekleefd, maar voor de banden waarop de beeltenis en de stem van mijn man zijn vastgelegd, huiver ik.

De primitieveling in mij denkt dat zijn geest daarin opgesloten zit. En dat die geest heel boos is omdat hij gevangen wordt gehouden, maar die geest vrijlaten is ook geen oplossing want met geesten weet je het nooit. Die kunnen lelijk huishouden zelfs indien de persoon in wie ze vroeger verbleven de vleesgeworden lankmoedigheid was.

Dus zitten al die banden in een doos en de doos staat in een kast, en wie wil kan ze uit die doos in die kast halen maar niemand doet het.

Misschien heeft het niets met bijgeloof of oerangsten te maken, maar alles met de ondraaglijkheid van een aanwezigheid die geen aanwezigheid is.

Trouwens, de beste beelden staan niet op papier, op band of op doek. De beste beelden liggen opgeslagen in de magazijnen van je hoofd, je hoofd waarin duizenden fototoestellen razendsnel en geluidloos klikken zodat je er niets van merkt; je hoofd dat zelfs foto's kan maken van wat je nooit hebt gezien maar waarover anderen je hebben verteld zodat je het ziet alsof je het zelf hebt meegemaakt; je hoofd dat nacht na nacht met die beelden kleine kunstwerkjes produceert, kunstwerkjes die zelfs niet altijd door je geheugen worden geregistreerd.

Mijn man en ik waren actieve dromers, die elkaar gretig hun dromen vertelden hoe moeilijk dat ook is. Ik herinner me een vakantie met onze dochters toen we alle vier iedere nacht droomden en in de ban van dat woekerende nachtelijke bestaan onze dagen met verhalen over die dromen vulden. Meer dan eens kwam mijn man zijn vader tegen en voerde eindelijk de gesprekken waarvoor bij leven geen tijd was geweest.

Zo ook is het in dromen dat ik hem het scherpst zie, met hem koffie drink, praat of lach om een grap die hij vertelt. Ik hou rekening met de mogelijkheid dat het is zoals Ovidius in de Metamorphosen vertelt en niet hij maar Morpheus bij mij aanklopt, Morpheus die door Ovidius 'de meester der gedaantewisseling' wordt genoemd en een zoon is van Vader Slaap. 'Geen ander bootst met meer bekwaamheid iemands houding en uiterlijk en stemklank en manier van spreken na.' De klassieke Romeinen wisten hoe verraderlijk echt droomgestalten kunnen lijken. 'Ik zag hem hier voor me staan', roept Alcyone, de weduwe van Ceyx, opgewonden uit als ze uit haar droom ontwaakt, en ze gaat tevergeefs op zoek naar sporen van zijn bezoek. 'Ik wou hem nog grijpen, maar hij week, toen ik mijn armen strekte. Hij was een schim, maar niet een vage schim, nee, werkelijk die van mijn man!' Maar Ovidius weet wel beter: niet Ceyx of zijn schim heeft deze wanhopige weduwe bezocht; Morpheus heeft andermaal toegeslagen met een verbluffend staaltje van zijn bedrieglijke imitatiekunst.