De Appel

Barbara schoof met haar stoel naar rechts en toen weer naar links en gaf een paar klopjes op het tafelblad, een dik geverniste schijf uit een grillige boom.

'Er valt met geen goed fatsoen aan te zitten. Maar voor Hollanders die denken dat ze overal meteen aan tafel kunnen, is hij natuurlijk goed genoeg.'

'Mij hoor je niet klagen', zei Pim. 'Een half uurtje wachten met een lekkere chardonnay is redelijk, en we hebben nu toch een plaats. En wat voor plaats, met zicht op de Golden Gate Bridge in het licht van de ondergaande zon. De versmelting van kunst en natuur. Het was overigens jij die per se naar dit restaurant wou.'

'Ja, maar ik zei er bij dat we moesten reserveren en dat zou jij doen. Het was trouwens geen half uurtje, maar vijftig minuten.'

'Ok‚, ok‚. Ik had niet verwacht dat het op een doordeweekse dag zo vol zou zijn, laat staan in een vegetarisch restaurant.'

Barbara keek langs hem heen de lange, lichte ruimte in.

'Zo te zien zitten er zeker tweehonderd mensen en die zitten allemaal aan normale tafels. Jij hebt nog een beetje de ruimte, maar ik, nou ja, of er kan net een bord staan op dat uitstulpsel, of ik kan mijn ellebogen kwijt, maar allebei tegelijk, plus wijn, dat wordt een circuskunstje.'

'Wees blij dat we in ieder geval te eten krijgen, Bar. Ik weet niet of het je is opgevallen, maar er zijn na ons wel vijf keer mensen weggestuurd. Er is me trouwens nog iets opgevallen. Jij moet het ook gezien hebben. Home sweet home, zal ik maar zeggen. Wat denk je?'

Een spichtig meisje in het zwart zette het voorgerecht voor ze neer. Een kleine, gevulde rechthoek van bladerdeeg, omringd door een oranje saus en plukjes koriander.

Barbara sneed het met hoog gehouden ellebogen aan.

'Overdrijf niet zo, Bar. En zeg eens wat je ervan denkt.'

'Wat ik w rvan denk?' Ze nam een hap. 'Hm, we mogen dan voor schut zitten, maar dit is werkelijk heerlijk.'

'Is het wel of niet een echte?'

'Wat?'

'Die Appel. Schuin achter de jongen van de receptie in zijn gewaagde, paarse pak. Jij hebt betere ogen. Kijk dan.'

Barbara keek. Een bevroren blik van drie tellen en ze boog haar hoofd weer naar haar bord.

'Het hangt te hoog.'

'Ja', zei Pim, 'dat maakt het twijfelachtig. Toch lijkt het me een echte.'

Barbara begon met haar vork de vulling te ontleden.

'Ik denk dat er net zoveel echte als valse Appels bestaan', zei ze. 'Wortel, koolrabi, gember. Zoiets dacht ik al. En nog iets.' Ze doopte haar vinger in het prutje en likte hem af. 'Kokos? Ik hou helemaal niet van kokos, maar hierin is het verrukkelijk.'

'Ik durf er wat om te verwedden dat het een echte is.'

'De laatste keer dat ik Appel zelf in het echt gezien heb', zei Barbara, 'was in New York. In een delicatessen bij Washington Square, waar hij naar een tafel vol chocola stond te kijken. Misschien eet hij wel geen vlees, misschien heet dit schilderij wel Tutti Frutti Monsters of Dancing Potatoes.'

'Het is een veelschilder', zei Pim, 'maar hij ligt nog steeds aardig in de markt.'

'Ho ho, ik vind hem een groot kunstenaar! En niet alleen de Sandbergperiode. Hij is een harde werker, ik hou van harde werkers, dwars tegen alle kritiek in. Hij is een echte schilder, een man van kleur en kwasten. Een fysieke schilder, een Samson die na zijn zeventigste het decor van de Zauberfl"te doet, geweldig. Ik meen het. Hij heeft schilderijen gemaakt die ik niet alleen mooi, maar ook geestig vind, geestig en ontroerend. Ja. En ik hou ook van hem omdat het niet zo'n weke pik is die kniebeschermers omdoet als er een kunstpaus in de buurt is of als Beatrix in aantocht is.' Barbara wees met haar vork naar Pim. 'Je hebt niet eens gezegd of je het een mooi schilderij vindt, je vraagt je alleen af of het een echte is. Je was toch niet van plan een bod te doen? Zo stom ben je toch niet, hé? Zoveel heb je toch nog niet op?'

Pim keek naar buiten.

Toen het dienstertje het volgende voorgerecht bracht, dat rond en rood was als een jonge biet en gesierd met witte flinters, zei Barbara:

'Mijn man zou graag willen weten wie dat schilderij daar gemaakt heeft. Kunt u daarnaar informeren?'

'Nee, niet doen,' zei Pim nadrukkelijk. 'Het is absoluut niet belangrijk.'

Hij nam een flinke slok, terwijl Barbara met haar neus boven het gerecht hing.

'Truffel', zei ze. 'Onmiskenbaar. Maar verder? Het ziet eruit als een vliegenzwam.' Ze zette er het mes in. 'Ach, het is deeg, gekleurd deeg, gevuld met créme fraÎche, bijzonder hoor.'

Pim at de soes in een paar happen op, dronk zijn glas leeg, vulde het opnieuw. De hemel was nu zo rood als de brug. Een contrast met de rits lampen die het restaurant in een wit licht baadden, een niets ontziend licht dat de aderen op zijn handen schrikbarend dik en blauw maakte en de ergernis op zijn gezicht precies zo scherp als hij hem voelde, maar dat zag alleen Barbara.

Na het hoofdgerecht dat uit groene tinten was samengesteld, stond ze plotseling op van tafel, zette haar bril op, trok haar schoenen uit, ging achter de receptionist op een stoel staan en bekeek het schilderij.

'Het is gesigneerd', zei ze alleen maar toen ze weer zat.

Zwijgend aten ze de sorbet van mango, passievrucht en munt. Pim betaalde met zijn gold card, Barbara legde een biljet van tien dollar op de middelste ring van het tafelblad.

'Ik ga nog even naar het toilet', zei ze.

Toen ze terugkwam, hoorde ze nog net de receptionist vriendelijk maar beslist tegen Pim zeggen: 'Dank u zeer, maar we kunnen daar niet op ingaan, want de schilder is een wel geziene en hogelijk geres pecteerde gast. Sorry, sir.'

Met gebogen hoofd liep Pim voor Barbara uit naar de zilvergrijze Chevrolet die onder een lantaren aan het eind van het parkeerterrein stond.

Bij de receptie werd gelachen. En in de baai kwam de mist op, die langzaam maar zeker langs de pijlers van de brug de stad binnen gleed.