Alles in één klap vastgelegd

De posttraumatische stressstoornis zou wel eens veroorzaakt kunnen worden door een totale `verwarring' in de geheugenopslag. Over het raadsel van emotie en geheugen.

ZONDER GEHEUGEN geen zelfbeeld, zonder herinneringen geen persoonlijkheid. ``Ieder mens heeft herinneringen nodig om zijn `zelf' een fundament te geven'', sprak de Britse geheugendeskundige Martin Conway op een wetenschappelijk symposium over Geheugen en Emotie, dat vorige maand werd gehouden in Amsterdam, georganiseerd door de EPOS (Experimenteel-Psychologische Onderzoeksschool).

Conway doet veel onderzoek aan autobiografische herinneringen. In het geheugen kan het zelf de noodzakelijke achtergrond vinden om zijn `handelingsdoelen' (nastrevingen c.q. belangen) te stellen en te herkennen. ``Een autobiografische herinnering is een veranderlijke en tijdelijke mentale constructie waarbij wordt geput uit een onderliggende database'', aldus Conway. Iedere herinnering is telkens een nieuwe constructie, beïnvloed door de eisen (doeleinden, belangen) van het moment en afhankelijk van de emoties en doelen van het moment dat het zelf zich probeert te herinneren. Emoties hangen volgens Conway nauw samen met doelen en belangen. In feite is `emotie' een van de manieren waarop iemand zich van een van zijn doelstellingen bewust kan worden.

Maar de onderliggende database is niet `neutraal'. Zij wordt ook beïnvloed door de doelen. Het gaat om tweerichtingsverkeer: de huidige herinneringen beïnvloeden de doelen van nu maar de doelen van toen bepalen ook wat we ons er nu nog van herinneren. Veel herinneringen van oudere mensen aan hun pubertijd worden bijvoorbeeld gedomineerd door herinneringen die met identiteit te maken hebben, zo blijkt uit onderzoek van Conway. En uit de leeftijdsperiode van 20 tot 30 jaar hebben oudere mensen juist weer veel herinneringen die met intimiteit te maken hebben. ``Deze `bulten' in bepaalde soorten herinnering komen heel mooi overeen met de levensfasentheorie van Erikson'', aldus Conway. De periode 10-30 jaar is in een mensenleven sowieso verantwoordelijk voor de meeste herinneringen, ``en dat is niet zo gek, want juist in tijd ontstaat het zelf als een stabiele structuur''.

Conway's geheugenmodel – met de centrale rol van de doelstellingen van het zelf – kan volgens hem goed gebruikt worden om de effecten van de posttraumatische stressstoornis te verklaren. Posttraumatische stress kan optreden na een situatie die de persoon in kwestie als levensbedreigend heeft ervaren. Na die gebeurtenis duikt telkens opnieuw de herinnering op aan dat `trauma' (Grieks voor `wond', `nederlaag'), soms in de meest onschuldige situatie, bij het klapperen van een deur of een bepaald woord. Conway deed onder meer onderzoek onder mensen die een hartaanval overleefden. ``Ieder pijntje in de borst brengt dan alles weer terug. Bij een recente Britse treinbotsing viel vlak voor de klap de electriciteitskabel op de cabines. Telkens als de overlevenden daarna een lichtsflits zagen, beleefden ze het ongeluk weer helemaal opnieuw.'' De postraumatische stressstoornis gaat ook samen met desinteresse in de omgeving en met slaapproblemen.

Waarom is die herinnering zo krachtig en zo alles omverwerpend? Conway: ``Als je denkt dat je dood gaat, vervallen alle doelen. Zo'n ervaring is een bedreiging van het gehele 'doelsysteem' dat de basis vormt van het zelf. Onder welk doel moet je de herinnering aan zoiets opslaan? Het wordt daarom onder alle doelen tegelijk opgeslagen in de database. Daardoor is de ervaring heel gemakkelijk op te roepen, tè gemakkelijk. De enige manier om er van af te komen is de gebeurtenis in een therapie te herbeleven en dan wèl in te passen in je systeem van levensdoelstellingen.''

Die verstoring van het gewone leven door zo'n `overal opgeslagen' herinnering is des te erger omdat emotioneel geladen gebeurtenissen vaak direct oproepbaar zijn uit de `database' van het geheugen en zeer veel specifieke aspecten bevatten. Flash bulb memories noemt Conway die, lichtflitsherinneringen. Andere herinneringen worden vaak langzamer en met meer bewuste evaluaties door het zelf opgediept. Dit verschil bleek bij testen waarbij proefpersonen met behulp van cues (bijvoorbeeld via een foto van een stoel in hun huis) herinneringen moesten ophalen. Bij een derde van hen kwamen onmiddellijk (binnen 2 seconde) zeer precieze herinneringen op, maar de rest was dan nog bezig met een meer algemene zoektocht naar verwijzingen.

Autobiografische herinneringen zijn volgens Conway in te delen in drie niveau's van algemeenheid: grote periodiseringen (`in die tijd werkte ik bij firma X'), algemene gebeurtenissen (`toen hadden we vaak personeelsfeestjes') en specifieke gebeurtenissen waarbij de herinnering een soort herbeleving kan worden (`Bij dat ene feest werd 's avonds mijn auto gestolen, hij werd teruggevonden vol met natte oude kranten die ontzettend stonken. Maar toen zag ik ineens wel mijn baco-sleutel in de kofferbak liggen die ik al jaren kwijt was').

Allerlei stoornissen in dit systeem zijn mogelijk. Sommige mensen missen door een hersenbeschadiging de derde categorie: de directe, levendige herinneringen. Conway: ``Je ziet dan soms dat ze de concrete gebeurtenissen uit hun leven als een verhaal hebben opgeslagen en zo nog wat van hun leven kunnen onthouden. Maar dat is iets heel anders dan de directe herinnering, waarin je bij wijze van spreken de geur van de barbecue nog kunt ruiken.''

Er werden vele theoriën en onderzoeksresulaten gepresenteerd op het tweedaagse symposium van de EPOS. In een aantal lezingen, onder meer door de Cambridge-neurofysicus Joe Herbert en de Yale-psycholoog Elisabeth Phelps, stond het hersenorgaantje amygdala centraal, dat een belangrijke rol speelt bij het in het geheugen vastleggen van emotionele ervaringen. ``De amygdala is het nieuwste smaakje van de maand, maar het is maar een klein onderdeeltje van een enorm systeem'', schamperde Conway in de pauze. Maar overigens waarschuwde ook Herbert voor al te snelle conclusies over zelfstandige `systemen' in de hersenen: ``in de drang van het organisme om te overleven hangt alles met alles samen, emotie is maar één onderdeeltje van de voortdurende aanpassingen aan de omgeving.''

En zo waren er vele waarschuwingen te horen op het symposium. En niet alleen tegen het inmiddels overbekende gemak waarmee mensen – voorzien van de juiste suggestie – valse herinneringen kunnen worden aangepraat. Ook bij het geheugen- en emotieonderzoek zelf is voorzichtigheid op zijn plaats. Het meeste experimentele emotieonderzoek is bijvoorbeeld vrijwel uitsluitend gebaseerd op vormen van `angst', omdat die emotie gemakkelijk is te beïnvloeden zowel bij ratten als bij mensen. Of zoals Phelps zei: ``ik kan iedereen met schokken bang maken, maar hoe kan ik iemand gelukkig maken. De een wil dan muziek horen, maar een ander wil vooral M&M's.''

Een andere truc waarmee veel experimenten werken is het primen: in een onzichtbaar korte flits voorafgaande aan het eigenlijke beeld wordt de proefpersoon bijvoorbeeld een gruwelijke geweldsdaad getoond, of juist een lief lachend kind. Uit de mate van vertraging in de beoordeling van het `echte' beeld die de slechts onbewust waargenomen flits veroorzaakt kan dan bijvoorbeeld – door de Leuvense psycholoog Dirk Hermans – worden afgeleid dat de mens primair alles om zich heen beoordeelt als positief of negatief, zonder veel nuance of andere categoriën. Interessant, maar ja, becommentarieerde in Amsterdam de emotie-psycholoog Nico Frijda, wat is eigenlijk onbewust? ``We weten niet eens wat bewustzijn is! In dit soort onderzoeken is onbewust meestal gelijkgesteld aan dat wat de proefpersonen niet onder woorden kunnen brengen. Maar dat is nog wel wat anders dan onbewust.''

En zo was overal wel wat tegen in te brengen. Het interessante onderzoek van de Denver-psycholoog Piotr Winkielman blijkt tot nu toe amper herhaalbaar in andere steden. Winkielman constateerde dat de manier waarop we ons iets herinneren grote invloed heeft op de beoordeling van die herinnering. Gaat het herinneren gemakkelijk, dan denken we bijvoorbeeld dat de herinnering wel waar zal zijn. En zelfs bij het heldere onderzoek van Conway had Frijda nog wel kanttekeningen. Want waarom zou alles eigenlijk een functie moeten hebben, vroeg de emeritus hoogleraar zich af. ``Misschien hebben we wel autobiografische herinneringen omdat we nu eenmaal een geheugen hebben. En niet omdat het `zelf' ondersteund moet worden.''