Zeer slecht jaar voor Japanse bedrijven

Omzet en winst van het Japanse bedrijfsleven zijn hard gedaald. Alleen bedrijven die kunnen bogen op een forse technische kennis en internationaal concurrentievermogen zagen hun winsten stijgen. Tot de verliezers afgelopen jaar horen verder ook de werknemers die hun inkomen met 1,6 procent zagen dalen.

De omzet van alle beursgenoteerde Japanse ondernemingen gezamenlijk – uitgezonderd de verliesmakende financiële sector – daalde het afgelopen jaar met 8,5 procent, zo berekende de Nihon Keizai Shinbun (Japans Economisch Dagblad) afgelopen zaterdag nadat vrijwel alle bedrijven (99,7 procent) hun resultaten over het per eind maart afgelopen boekjaar bekend hadden gemaakt. Het bedrijfsresultaat van deze bedrijven daalde met 20,9 procent en de nettowinst die overbleef kelderde met 73,1 procent. Boekjaar 1998 is zo het tweede achtereenvolgende jaar van daling van zowel omzet als winsten.

Het bedrijfsleven verwacht ook voor het nu lopende jaar een verdere daling van de omzet, maar dankzij herstructurering hoopt men de winsten weer licht op te kunnen krikken. De afgelopen maanden heeft een reeks grote bedrijven reorganisaties en vermindering van personeel aangekondigd. Hierdoor is de werkloosheid onder de mannelijke beroepsbevolking in april gestegen tot het naoorlogse record van 5 procent. Driekwart van de Japanse volwassenen maakt zich nu zorgen over eigen baan of over die van een familielid, zo bleek onlangs uit een peiling van de krant Yomiuri. De roep om nieuwe overheidsstimulering wordt weer sterk, ook al heeft de regering afgelopen herfst het achtste en grootste stimuleringspakket van de jaren negentig afgekondigd.

Bedrijven die afgelopen jaar hun winsten wèl zagen stijgen waren bijvoorbeeld autoproducent Honda, cameraproducent Cannon en de fabrikant van computerspelletjes Nintendo. Deze bedrijven zijn internationaal concurrerend en halen een groot deel van hun winst uit het buitenland. Honda bijvoorbeeld is uitermate sterk in de Verenigde Staten. Ook farmaceutische bedrijven profiteerden van die markt en maakten goede winsten.

Daling van de particuliere consumptie wordt veelal als een van de oorzaken van Japans huidige recessie aangewezen. In april was de particuliere consumptie 2,1 procent lager dan een jaar geleden. Toch zien financieringsmaatschappijen voor consumptief krediet hun omzet sterk stijgen en behoren ze tot de grootste winstmakers. Vijf van de 32 topverdieners onder Japans ondernemingen behoren tot deze categorie. Tien van Japans honderd grootste particuliere belastingbetalers van afgelopen jaar zijn werkzaam in deze sector. De winstgevendheid van deze financieringsbedrijven is een teken dat de consument in grote problemen zit en het ene gat met het andere gat probeert te vullen. Het gemiddelde inkomen van de Japanse werknemer daalde afgelopen jaar voor het eerst sinds de overheid in 1970 begon met het bijhouden van deze cijfers, zoals gezegd met 1,6 procent. De werkloosheid stijgt en het aantal persoonlijke faillissementen is sinds begin jaren negentig vertienvoudigd.

De Japanse industrie kampt intussen met te hoge kosten en overcapaciteit. Bedrijven als Sony, Honda en Toyota hebben al lang een groot deel van hun productie naar het buitenland verplaatst en overblijvers zijn bijvoorbeeld de bouwbedrijven die sterk leunen op overheidsopdrachten. Aangepast voor seizoensinvloeden was de industriële productie in april 2,7 procent lager dan een maand eerder.

Naar goed Japans gebruik heeft premier Keizo Obuchi inmiddels een commissie ingesteld die zich moet beraden over herstel van het concurrentievermogen van de Japanse industrie. Vorige week presenteerde de machtige Keidanren, Japans Federatie van Economische Organisaties, aan deze commissie voorstellen die het makkelijker maken voor het bedrijfsleven capaciteit te schrappen. Vice-voorzitter Katsunosuke Maeda maakte bij de presentatie de opmerking dat voor oplossing van het probleem van overcapaciteit ,,het eigen oordeel en het nemen van eigen verantwoordelijkheid [van bedrijven] de basis moet vormen''.

Deze opmerking mag uitermate vanzelfsprekend lijken, in Japan is zij het niet. Een groot deel van de oude industrie in Japan is in kartels georganiseerd en dit verklaart waarom Japan bijvoorbeeld nauwelijks staal en cement importeert, ook al zijn de prijzen buiten Japan lager dan in Japan zelf.

In de huidige recessie komen er barsten in dit stelsel. Een extreem voorbeeld van prijsdestructie had afgelopen jaar plaats in de luchtvaart. Prijzen daalden op enkele binnenlandse vliegroutes met 50 procent na de komst van twee nieuwe luchtvaartmaatschappijen. Totdat deregulering dit mogelijk maakte was er feitelijk geen concurrentie tussen de drie oude luchtvaartmaatschappijen van Japan.

Een vergelijkbare trend doet zich voor in de mobiele telefonie waar een felle strijd is losgebrand dankzij deregulering. Dankzij mobiele telefoons ontlopen velen de hoge kosten van de vaste telefoonaansluiting à 1200 gulden. Met lede ogen ziet voormalig staatsbedrijf en monopolist NTT deze melkkoe verdwijnen nu aansluitingen tweedehands voor veel lagere prijzen van de hand gaan. Als Japanse kartels niet langer de prijzen zouden beheersen en de vrije import zouden verhinderen zouden, aldus één berekening, de winkelprijzen in Japan 41 procent dalen.

Binnen een kartel waar prijzen vast liggen, betekent het eenzijdig schrappen van capaciteit als bedrijf slechts dat men de eigen positie in nieuwe onderhandelingen over marktaandeel verzwakt ten opzichte van de concurrentie. Ziedaar de betekenis van Maeda's eerder aangehaalde opmerking. Glen Fukushima, voorzitter van de Amerikaanse Kamer van Koophandel in Japan, zegt in een reactie dat ,,het een positieve opmerking is als Maeda bedoelt dat bedrijven op eigen kracht moeten gaan concurreren''.