Werther en wereldsmart

Hét `grote culturele drama' van Nederland in de tweede helft van de twintigste eeuw – zo noemen Frans Ruiter en Wilbert Smulders de afbraak van de verzuiling in hun stimulerende studie Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 uit 1996. Met het verdwijnen van de verzuiling kwam een eind aan de alles impregnerende invloed van de religie op het openbare en particuliere leven. Tegelijkertijd markeerde de ontzuiling de definitieve overgang van een provinciale, agrarische samenleving naar een stedelijke, post-industriële cultuur, die weldra ook het platteland in haar greep kreeg. In bijna alle literatuur van de laatste decennia menen Ruiter en Smulders de sporen van dit `drama' te kunnen terugvinden.

Dat het schrijvers ook na 1990 nog kan bezighouden, bewijst Ter hoogte van het Salsa-paviljoen, de tweede roman van Nico Dros, die in 1991 debuteerde met de historische roman Noorderburen. Op het eerste gezicht gaat het slechts om een ongelukkig aflopende liefdesgeschiedenis, tussen de journalist Vos Deroche en de antroposofe Resi van Wulfenhorst, maar Dros' ambitie reikt verder. In de zeshonderd bladzijden van zijn roman waagt hij zich aan de grote greep: de literaire verbeelding van een tijdperk, ongeveer zoals A.F.Th. van der Heijden (De tandeloze tijd) en Robert Anker (Vrouwenzand) dat eerder hebben gedaan.

Dros brengt ook de hele voorgeschiedenis van zijn beide hoofdpersonen in kaart, inclusief ouders en voorouders, en laat hen zo iets belichamen van de tegenstellingen die dankzij het ontzuilingsproces veel van hun scherpte hebben verloren. Vos is een boerenzoon uit Texel, die in Amsterdam eerst Nederlands en vervolgens geschiedenis gaat studeren, terwijl Resi, afkomstig uit een Brabantse patriciërsfamilie, in dezelfde stad de kunstacademie heeft doorlopen. Het protestantse noorden en het katholieke zuiden, de boerenstand en de bourgeoisie – als Vos en Resi gaan ze in de Amsterdamse smeltkroes een moderne verbintenis aan.

Door van zijn mannelijke hoofdpersoon een historicus te maken, die zich specialiseert in `historische reportages', exotische uitstapjes voor het door de actualiteit bestookte krantenpubliek, heeft Dros zich alle ruimte verschaft om het bestek van zijn liefdesgeschiedenis te buiten te gaan. Op zoek naar het `andere verleden', dat doorgaans buiten de officiële geschiedenisboeken blijft, stort Vos zich op het alledaagse leven van weleer. Met een fijne neus voor drama en tragiek diept hij uit de archieven het relaas op over een Friese `Raskolnikov', die in de negentiende eeuw voor de moord op een oud vrouwtje tot de strop werd veroordeeld.

Op zijn geboorte-eiland Texel zet hij zijn tanden in een kerkelijke twist uit de jaren twintig, toen de gereformeerde gemeente van het dorpje Oosterend in tweeën werd gespleten. `Wanneer je hele bestaan doordesemd is van het geloof, zoals bij de vroegere gereformeerden, en datzelfde geloof wordt onderwerp van een diepgaande en bittere controverse... dan kan het bijna niet anders of je hele wereld wankelt', zegt Vos, die iets soortgelijks heeft mogen ondervinden na van Texel te zijn verhuisd naar Amsterdam.

Voor deze melancholische mijmeraar met `het postuur van een dokwerker' (waarvoor het vrouwvolk niet ongevoelig blijkt) begint een odyssee door de grote stad, waarin hij vergeefs probeert thuis te raken. Met een groep Texelaars, die net als hij aan een ongeneeslijk heimwee lijdt, bewoont hij een schilderachtig kraakpand, maar om zich te `hervinden' is telkens een terugkeer naar het eiland van herkomst onontbeerlijk. De werkelijkheid, in de gedaante van zijn nuchtere vriendin Magda, doet een forse aanslag op zijn romantisch gemoed, dat hunkert naar `een liefde die niet van deze wereld leek'. Even romantisch van aard blijkt Vos' historische interesse, want wat hij in het verleden zoekt is Huizinga's `'s levens felheid', die uit het moderne heden – in weerwil van drank, promiscuïteit en krakersrellen – goeddeels is weggevloeid.

Liefde en historie lijken pas gelijk op te gaan, nadat Vos heeft kennis gemaakt met zijn ideale geliefde Resi, op het strand van Texel (inderdaad: ter hoogte van het Salsa-paviljoen) waar hij 's zomers in een huisje aan zijn boek over de kerkscheuring werkt. Het pakt bij nader inzien uit als een omineuze combinatie, iets wat Vos onbewust laat doorschemeren wanneer hij deze kerkscheuring vergelijkt met `een breuk tussen twee innig geliefden'.

De historie biedt ditmaal géén soelaas. Integendeel, na een idyllisch begin is het juist de geschiedenis van Resi, getraumatiseerd door de scheiding van haar ouders, die het geluk verstoort. De historicus Vos, in wie zij van meet af aan de trekken van haar weggelopen en hevig gemiste papa heeft herkend, toont in haar ogen te weinig belangstelling voor dit zo nabije andere verleden'. De bron van zijn aantrekkingskracht keert zich tenslotte tegen hem. Zowel de liefde als het boek lopen spaak en Vos vindt een suïcidaal einde op dezelfde plek aan zee als waar hij ooit zijn `mystieke roos' uit de golven zag opdoemen. De terugkeer naar het verloren paradijs valt samen met de dood.

Dros' roman vertoont een vertrouwd romantisch patroon, compleet met verwijzingen naar Werther en `wereldsmart'. Wat het een meerwaarde geeft is de verbinding met de geschiedenis, die de nogal banale relationele perikelen in een breder kader plaatst. Dros heeft zijn Vos bovendien van een oudere broer en een vriend voorzien, die met hun kritisch commentaar de eenzijdigheid van diens naïeve romantiek relativeren. Desondanks houdt de Werdegang van deze gedoemde dromer iets zeer voorspelbaars, dat afbreuk doet aan de overtuigingskracht van het geheel.

Voor een belangrijk deel komt dat door de manier waarop Dros de lotgevallen van zijn personages onder woorden heeft gebracht. Wanneer Vos nadenkt over de stijl van zijn boek over de kerkscheuring in Oosterend, komt hij tot de conclusie dat `een licht archaïserende verteltrant' het beste zou zijn. Ook Dros lijkt tot deze slotsom te zijn gekomen, met als gevolg dat de clichés, al dan niet licht archaïserend, je om de oren vliegen. Vooral het hart moet het daarbij ontgelden, bijvoorbeeld wanneer Vos wordt `gekweld door een doffe leegte in zijn hart'. Ook schrijft Dros zonder gêne: `Zoals zij daar stond in de deuropening, deed ze zijn hart opspringen'. En wat te denken van een zin die begint met de woorden: `Toen de zomerstorm in beider harten enigszins was geluwd...'

Met zulke frasen, die tegenwoordig toch meer aan Cissy van Marxveld dan aan de jonge Goethe doen denken, zit Dros de ernst van zijn roman in de weg. Een enkele stoplap van dit kaliber valt nog wel door de vingers te zien, maar bij hoge frequentie wordt dat minder makkelijk. Nog lastiger te negeren zijn de bloedeloze psychologische abstracties waarmee Dros zijn beide geliefden en de voor Vos fatale afloop van hun relatie analyseert, in plaats van een en ander met concrete beelden en scènes op te roepen. Op zo'n gebrek aan plastische verbeeldingskracht zul je Van der Heijden niet gauw betrappen.

Als een echte historicus wil Dros te veel verklaren en daardoor schiet hij in literair opzicht tekort, te meer daar zijn verklaringen vanwege clichés en romantisch keurslijf nauwelijks verrassingen bevatten. Er blijft onvoldoende te raden over. Naast waardering voor de brede armslag en de geslaagde poging aan de Texelse `diaspora' in Amsterdam een mythologisch tintje te geven, rest de lezer hooguit een sentimentele reactie – net als de nabestaanden die in een epiloog vol ternauwernood bedwongen emotie het goede voorbeeld geven.

Wie daarmee genoegen neemt, vindt in Ter hoogte van het Salsa-paviljoen een alleszins bevredigend melodrama. Wie op grond van Vos' historische preoccupaties had gerekend op een eigentijdse tragedie, met alle raadselachtige hardheid vandien, kan zich alleen maar teleurgesteld voelen.

Nico Dros: Ter hoogte van het Salsa-paviljoen. Van Oorschot,

604 blz. ƒ49,- (pbk)/ƒ69,- (geb.)