Wankel Japan

De Japanse economie is op drijfzand gebouwd. De sterke tradities hebben jarenlang de groei gestimuleerd. Het was de geest van de loonslaaf, de ‘salariman’. Maar de zeepbel spatte uiteen. En de tradities verdwijnen. De een juicht dit toe, de ander treurt erom. Tweemaal Japan: het leven van de familie Kojima en de kritische visie van een fotograaf.

Jotaro Kojima zet de kraag van zijn jas op, steekt een sigaret aan en tuurt in de verte. Het is miezerig weer in Hanbara, een dorp met zevenduizend inwoners, twee uur ten westen van Tokio. De natte, grijze straten van het dorp, dat ingeklemd ligt tussen de uitlopers van Japans slapende vulkaan Fuji, vormen op deze zaterdagmiddag het decor voor de jaarlijkse estafettewedstrijd waarin de verschillende buurtschappen van Hanbara elkaar bestrijden.

‘Daar komen ze eindelijk’, zegt Jotaro en klapt zijn handen warm. Er rijdt een auto langs met een krakerige luidspreker die de hardlopers aankondigt. Even later draven de eersten langs. Jotaro zwaait enthousiast met een papieren vlaggetje van een sponsor. ‘We liggen op de tiende plaats’, zegt hij lachend. ‘Maar wie wint is niet belangrijk. We doen dit voor het gemeenschapsgevoel van de buurt. Het is een traditie die we in ere houden.’

Ondanks die traditie is ook Hanbara met zijn tijd meegegaan. Ook hier hebben de bewoners geprofiteerd van de naoorlogse economische groei. Aan beide zijden van de Nakatsu-rivier die dwars door het dorp stroomt, staan moderne huizen. De straten zijn geasfalteerd en er rijden veel Toyota’s en Nissans, maar ook enkele Mercedessen, Saabs en bmw’s. Er zijn restaurants, een supermarkt, een hotel en de onvermijdelijke karaoke-bar.

Jotaro Kojima (48), oudste zoon in een gezin van vier kinderen, is geboren en getogen in Hanbara. Zijn twee oudere zusjes en jongere broer gingen naar de grote stad om een eigen leven op te bouwen. Daar hebben geld en status de tradities verdrongen. Jotaro ziet de voordelen van het leven in een dorp. Maar dat is niet altijd zo geweest. ‘Mij is

eindeloos ingepeperd dat ik als oudste zoon de zaak van mijn vader, een zijdespinnerij, moest overnemen. Daardoor had ik een miserabele jeugd zonder de jongensdromen van brandweerman of piloot.’ Jarenlang heeft Jotaro gerebelleerd. Na zijn studententijd bleef hij in Tokio wonen. Maar toen zijn eerste huwelijk stuk liep, realiseerde hij zich dat Hanbara de enige plaats was waar hij nog naar toe kon. ‘Ik heb me bij mijn lot neergelegd en kwam terug bij vader in de zaak. Het leven te accepteren zoals het komt gaf me een gevoel van grote vrijheid.’

De zijdespinnerij van de familie Kojima bestaat sinds het begin van de eeuw. Het bedrijf ligt naast het huis waar Jotaro met zijn ouders, zijn vrouw en drie kinderen woont. Het negentigjarig jubileum van het bedrijf laat de familie stilletjes passeren. Jotaro beseft dat het dorp hen zou uitlachen als ze in deze tijd van economische crisis veel geld aan een jubileum zouden uitgeven. We wandelen door de werkplaats, langs de honderden machines. Toen Jotaro klein was, zaten hier 35 jonge meisjes te werken. Vroeger deden armlastige ouders hun dochters bij dit soort bedrijven in dienst. In zekere zin verkochten de ouders hun kinderen tegen vooruitbetaling van enkele jaren salaris. ‘Nog langer geleden verkochten door rampspoed getroffen plattelandsouders hun meisjes aan geisha-huizen in de stad’, zal Jotaro’s moeder later vertellen. Tegenwoordig zijn voor het werk in de spinnerij nog maar twee vaste krachten en een paar parttimers nodig. Door de productie van goedkope zijde in China en Zuid-Korea is de omzet van het bedrijf gehalveerd. De productie bestaat nu grotendeels uit kunststofdraden in plaats van uit zijde.

Boeddha-altaar

Tientallen spinnerijen in het dorp hebben hun deuren al gesloten, maar de Kojima’s houden het hoofd boven water. Dit is te danken aan Jotaro’s vader, de 81-jarige Tsuyoshi Kojima. Op zijn twintigste nam hij de leiding van het bedrijf over van zijn zieke vader en bijna zestig jaar lang bleef hij de baas. Pas drie jaar geleden mocht Jotaro eindelijk het roer overnemen. Maar zijn vader blijft in de buurt. Zelfs op een zondagochtend komt Tsuyoshi met besmeurde handen uit de werkplaats waar hij een machine heeft gerepareerd.

Volgens zijn kinderen is Tsuyoshi in veel opzichten een vooroorlogse Japanner: een autoritaire man, de baas in huis. Toch leeft hij niet in het verleden. Aan zijn bureau in het kleine kantoortje beneden in het woonhuis verdiept hij zich dagelijks in het Japans Economisch Dagblad. Hij spelt vijf kranten en weet precies wat er in de wereld gebeurt. ‘Hoe zit dat met de invoering van de euro? Wordt Europa nu een protectionistisch blok?’, vraagt hij zijn Europese bezoekers. Dan kijkt hij weer in de krant en mompelt: ‘Wat een chaos in Brazilië.’

Tsuyoshi wil niet te veel over vroeger praten. Ja, hij was jarenlang gemeenteraadslid en hij heeft vaak gelobbyd voor overheidsfondsen. Hanbara heeft de verharde weg naar het dorp aan hem te danken. In de oorlog diende hij bij de luchtafweer, niet overzee maar op de Japanse eilanden. Dit zijn afgesloten hoofdstukken, Tsuyoshi kijkt liever naar de toekomst. Ook over de huidige generatie Japanners is hij kort. ‘Als ze hun voorvaderen maar respecteren en goed hun best doen’, zegt hij nukkig. Zelf bidt hij regelmatig voor de zielenrust van zijn voorouders aan het grote boeddha-altaar in zijn woonkamer.

Met vooruitziende blik kocht Tsuyoshi in de jaren zeventig en tachtig appartementen in Tokio. De huuropbrengst zorgt voor extra inkomsten in de huidige recessie. Al was de spinnerij zijn levenswerk, Tsuyoshi beseft dat het bedrijf weinig toekomst heeft. ‘Toen ik het roer overnam, zei vader dat ik de spinnerij niet ten koste van alles in stand hoefde te houden’, vertelt zijn zoon Jotaro. Hij is dan ook onlangs een koffiebranderij begonnen. Het sluiten van de spinnerij is nu nog zijn eer te na. Te veel familiegeschiedenis, zegt hij en wijst in zijn woonkamer op een borstbeeld van zijn grootvader. De in brons vereeuwigde oprichter van de zijdespinnerij staat te pronken naast het plastic speelgoed van zijn drie jonge dochters.

Jotaro’s moeder Ayako is spraakzamer dan haar man Tsuyoshi. Ayako is 76 jaar en goedlachs. Maar achter de lach gaat een harde levensgeschiedenis schuil. ‘Ik ben opgevoed met het idee dat een Japanse vrouw zich voor haar man moet opofferen’, vertelt ze. Maar net als haar zoon Jotaro wilde ook Ayako die rol eerst niet aanvaarden. Tijdens de oorlog studeerde ze af aan een meisjesuniversiteit in Tokio en ze ging enthousiast lesgeven in een stadje in het westen van Japan. In de laatste oorlogszomer bracht ze een bezoek aan haar ouders in Hiratsuka, een kleine stad niet ver van het dorp Hanbara. Op de dag na haar thuiskomst, op 15 juli 1945, was Hiratsuka aan de beurt voor een Amerikaans bombardement. Japan was totaal verzwakt en Amerikaanse bommenwerpers konden ongehinderd alle Japanse steden platgooien. De steden stonden nog vol houten huizen. Door de brandbommen kwamen honderdduizenden Japanners in de vlammen om. De Japanse bevolking accepteerde het lot stoïcijns, maar voor Ayako betekende het bombardement het einde van haar carriére: ‘Mijn moeder wilde niet dat ik terugging naar de stad waar ik werkte. Ze was bang dat ook daar bommen zouden vallen.’

In de onzekere tijd na de oorlog besloot Ayako’s vader dat het voor haar tijd was om te trouwen. Hij koos een partner uit een gegoede familie op het platteland. ‘Ik had Tsuyoshi maar één keer ontmoet voor ons huwelijk. Ik heb hard geprotesteerd bij mijn vader, want ik wilde nog helemaal niet trouwen. Maar hij zei: ‘Alles is al geregeld. Als jij nu weigert, dan rest mij niets anders dan harakiri plegen.’ ‘ Ayako had geen keus.

‘Huilend kwam ik hier in 1946 als jonge bruid aan. Mijn man was de oudste zoon, hij bleek acht jongere broers en zusjes te hebben. Mijn schoonmoeder gaf me direct de zorg over de jongste drie die nog op de lagere school zaten. Het gezin bestond uit dertien mensen. In de zijdespinnerij werkten tientallen meisjes die in een grote zaal boven de werkplaats sliepen. Vanaf de eerste dag na het huwelijk had ik drie kinderen en moest ik met twee hulpjes driemaal per dag voor vijftig man eten koken.’

Papieren schuifwanden

Al snel kreeg Ayako zelf kinderen. Toch kon ze zich niet bij haar situatie neerleggen. ‘Ik ben een paar keer met de kinderen naar mijn moeder gevlucht. Maar de oudste sliep vanaf haar geboorte bij mijn schoonmoeder en wilde blijven. Mijn moeder zei toen: ‘Als je met alle kinderen was gekomen, had ik voor je gezorgd. Maar omdat je de oudste hebt achtergelaten, moet je weer terug.’ Met de bus bracht ze me weer naar Hanbara. Aan de overkant van de rivier stond ze te kijken tot ik het huis binnenging. Pas na tien jaar heb ik me bij mijn lot neergelegd.’

Ayako laat fotoboeken en dagboeken zien. Zelfs na vijftig jaar huwelijk is ze die zwarte begintijd niet vergeten. ‘Mijn man leek overdag gevoelloos. Hij wilde niet over mijn problemen praten, omdat er altijd anderen bij waren.’ In oude Japanse huizen grenzen alle kamers aan elkaar, alleen gescheiden door papieren schuifwanden. Daardoor was het voor Ayako en haar man ook ‘s nachts moeilijk om te praten. In de belendende vertrekken lagen overal familieleden op dikke katoenen matten te slapen. Privacy was er nauwelijks. ‘Iedereen zou ons hebben gehoord’, zegt Ayako. Maar ze voelde dat haar man haar steunde in haar strijd: ‘ ‘s Nachts stak hij vanaf zijn matras zijn hand uit om de mijne vast te houden.’

Ayako ziet nu ook wel de positieve kanten van haar zware huwelijk. ‘Door dit soort ervaringen wordt een mens sterker. Maar de

jongere generatie in dit land kan zulke omstandigheden niet meer verdragen.’ Typisch Japanse eigenschappen als lijdzaamheid en volharding zijn volgens haar aan het verdwijnen uit het karakter van de Japanse vrouw. Ayako heeft wel waardering voor de grotere vrijheid en mondigheid van moderne Japanse vrouwen - ‘Mannen zijn een stuk braver geworden’ - maar ze heeft ook kritiek: ‘Een vrouw moet niet meteen opstappen als het huwelijk haar niet meer bevalt. Haar eerste verantwoordelijkheid ligt toch bij het in stand houden van het gezin.’ Ze vindt dat ze geboft heeft met haar schoondochter, de jonge tweede vrouw van Jotaro. Zonder morren legde die zich neer bij de Japanse gewoonte dat de oudste zoon met zijn gezin intrekt bij zijn ouders.Ayako maakt nu van dichtbij de opvoeding van haar drie jonge kleindochters mee. ‘Ik heb nu alleen met de leuke kanten van de opvoeding te maken.’ Eindeloos kan ze, bij een kopje thee, met de kleintjes papieren kraanvogels vouwen.

Beleefdheidsvormen

Veel is er veranderd in de decennia die Ayako en Tsuyoshi voorbij zagen gaan. Maar sommige dingen veranderen langzaam. Omdat de Kojima’s in Hanbara stamhouder van de familie zijn, hebben alle neven, wier ouders hier ooit opgroeiden, zich op een zaterdagavond verzameld voor de nieuwjaarsbijeenkomst. Traditiegetrouw zijn de schoenen bij de voordeur uitgedaan. De neven zitten op de vloer en de lange tafel biedt ruimte voor de gebruikelijke rangschikking: Jotaro en de oudste neef zitten aan het hoofdeinde, de jongsten schikken zich volgens leeftijd aan de andere kant van de tafel.

Leeftijd en maatschappelijke positie spelen een belangrijke rol in de Japanse omgangsvormen. Maar vaststaande hiërarchische verhoudingen, zoals de ordening van de neven op leeftijd, zijn aan het wankelen. ‘Een van de belangrijkste verschillen tussen de voor- en naoorlogse generaties is hun kennis van ‘nederige taal’ ‘, zegt neef Wakisaka aan het jonge deel van de tafel.

De Japanse taal is doorspekt met specifieke beleefdheidsvormen. Alleen al het woordje ‘ik’ kent vele varianten, afhankelijk van de positie die iemand in een gesprek inneemt. Japanners spreken dan ook niet over beleefdheidsvormen, maar over beleefdheidstaal, die weer is onderverdeeld in ‘erende taal’, ‘nederige taal’ en ‘algemeen beleefde taal’. ‘Nederige taal’ bestaat uit allerlei woorden waarmee iemand zich tegenover een hoger geplaatst persoon ‘vernedert’. Zo zal een Japanner bij het geven van een cadeau altijd zeggen dat het ‘maar een kleinigheidje’ is, ook al gaat het om een kostbaar geschenk. ‘Die nederige taal kennen de meeste jongeren niet meer. Zij vinden het niet nodig om hun eigen positie bewust te verlagen’, zegt neef Wakisaka. ‘Ze menen dat ze recht hebben op een eigen oordeel en dat ze dat ook naar voren mogen brengen.’

Grootmoeder Ayako ziet dit soort veranderingen duidelijk bij Takanori, de negentienjarige zoon van haar oudste dochter. Hij studeert economie in Tokio en wandelt eens in de drie maanden haar huis in Hanbara binnen. Ayako: ‘Toen ik een keer vroeg of hij nog iets nodig had, zei hij dat hij meer hield van de geleerde Yukichi Fukuzawa dan van de schrijver Soseki Natsume. Ik begreep niet wat hij bedoelde, maar het sloeg op de yen-biljetten’, lacht ze. Fukuzawa staat afgebeeld op de biljetten van tienduizend yen, zo’n 170 gulden, Natsume op briefjes van duizend. ‘Geld, daar draait het om bij de jongeren.’

Een paar dagen later in Tokio beaamt Takanori gniffelend de anekdote van zijn oma. Zijn generatie is materialistischer en verwender dan die van zijn ouders en zijn grootouders.

De economie van Japan mag dan al acht jaar in het slop zitten, hij en zijn vrienden merken er weinig van. ‘Niemand heeft hier een crisisgevoel’, zegt hij. Takanori’s geld komt grotendeels van zijn ouders, zelf verdient hij wat bij als parttime volleybalcoach voor een groepje huisvrouwen. Zijn yens gaan op aan alcohol, kleding en karaoke. En zijn wereld draait vooralsnog meer om honkbalwedstrijden dan om politiek.

Takanori blijkt maar bar weinig van zijn oma te weten. Hij noemt haar lachend ‘kapotte radio’, omdat ze maar niet ophoudt met praten. Hij weet niets van haar moeilijkheden als jonge uitgehuwde bruid. Hij herinnert zich alleen dat ze ooit nummer één was van haar lichting op de universiteit, iets waar Japanners grote waarde aan hechten. ‘Vroeger had je zo een baan als je van de universiteit kwam, maar die tijd is voorbij. Net zoals een baan voor het leven niet meer bestaat.’ Takanori wil na zijn studie naar Amerika om goed Engels te leren en te zien hoe het zakenleven daar functioneert.

‘Mijn generatie moet hier in Japan voor de verandering gaan zorgen, vertelt mijn vader me altijd’, zegt Takanori ‘s avonds in een sushi-restaurant, waar hij voordoet hoe je de hersens uit een garnaal zuigt, voor de ware kenner het lekkerste deel. ‘Kijk naar de mannen die hier om ons heen zitten. Dat zijn de salarimen, de kantoorklerken van dit land. Ze zouden dolgraag hun mening over van alles geven, maar ze durven niet. Er moet een eind komen aan die salariman-geest, dat volgzame, weinig creatieve en altijd maar ja-en-amen zeggen’, vindt hij. ‘Als we zo doorgaan, komt de Japanse economie nooit uit het dal. Wij moeten straks m‚‚r te bieden hebben.’

De openheid waarmee Takanori over Japan en over zijn idealen praat, verschilt sterk van de brave volgzaamheid die typerend is voor de generatie boven hem. Een echte salariman, die bij een grote bank werkt, hoorden we zeggen: ‘Ik kan natuurlijk niet zomaar vrijuit praten over de huidige ontwikkelingen. Ik heb mijn verantwoordelijkheid.’ De term salariman - van het Engelse woord ‘salary’ - kwam omstreeks 1960 in zwang voor de kantoorklerken die zich elke dag als vee in overvolle treinen naar hun werk lieten vervoeren en eindeloos overuren maakten voor de grote wederopbouw. Deze gedweeë ‘slaven van het kapitaal’ die nu, tijdens de recessie, op middelbare leeftijd bij het vuil worden gezet, worden door de jonge generatie niet als lichtend voorbeeld gezien. De jongeren hebben andere idolen, zoals de Japanse voetballer Hidetoshi Nakata. Deze 22-jarige ster met oranje geverfd haar maakte vorig jaar tijdens het wereldkampioenschap voetbal in Frankrijk furore als de creatieve Japanse spelverdeler. Meteen na het wk werd hij verkocht aan de Italiaanse Serie A-club Perugia. Tot grote schrik van Japanse televisiestations verbergt hij niet zijn minachting voor journalisten die stomme vragen stellen. ‘Nakata heeft er lak aan wat de wereld van hem vindt. Hij doet in een wedstrijd vaak iets onverwachts. Daar leer ik van, want hier in Japan heerst nog steeds de gedachte van één lijn, één beleid, niet afwijken. Dat moeten we doorbreken’, zegt Takanori.

Vastgeroest

Als de geest van de salariman nog ergens rondwaart, dan is het op de nieuwjaarsbijeenkomst in het bedrijf van Takanori’s vader in Nagoya, een miljoenenstad op twee uur rijden met de kogeltrein vanuit Tokio. Uit de jaarlijkse samenkomst van directeuren blijkt vooral hoe het Japanse bedrijfsleven in de naoorlogse succesjaren is vastgeroest. Veel, zo niet alles, draait hier om anciënniteit. In een zaal van de Atsuta-schrijn in het centrum van de stad zitten de gebroeders Mori, de twee hoogste bazen, als feodale heersers achter hun tafel. Streng kijken ze neer op de veertig directieleden van hun onderneming die bestaat uit een taxibedrijf, garages, hotels en onroerend goed.

De directieleden wachten stil op wat er komen gaat. Even later marcheren ze achter de Mori-broers, beiden rond de zeventig, over het terrein naar het binnenste van de tempel om de goden een voorspoedig nieuwjaar af te smeken. Later, tijdens de lunch, heerst er een diepe stilte, alsof het een belediging zou zijn in het aangezicht van de bazen te spreken.

Takanori’s vader, de 53-jarige Ryoichi Kato, maakt dit ritueel al jaren mee. Hij is familie van de Mori-broers. Na zijn afstuderen moest en zou hij in het familiebedrijf komen werken, al wilde hij liever iets anders. ‘De wil van de familie was wet. De familie had me nodig, dus ik ging’, vertelt hij. Voor zijn zoon zal dat anders zijn. Die moet vooral gaan doen wat hij zelf leuk vindt. ‘Maar als hij ooit in dit bedrijf over de drempel stapt, zal ook hij bravere taal bezigen dan hij nu doet.’

‘s Avonds bij Kato thuis, rond een tafel vol typisch Japanse hapjes - ‘Dit is eend met Japanse ui, een geliefd gerecht van de keizerlijke familie!’ - en zijn favoriete sake, praat hij honderduit. De stramme bijeenkomst van de directieleden in de Atsuta-schrijn noemt hij een laatste overblijfsel uit feodale tijden. Hij beschouwt het naoorlogse Japan als een ‘socialistische planeconomie’, volledig onder controle van ambtenaren, die zijn beste tijd heeft gehad. Buitenlandse druk en de crisis dwingen Japan tot verandering: ‘We moeten ons aanpassen aan de groeiende concurrentie. Bijvoorbeeld door dereguleringen zoals die binnenkort in de taxisector worden doorgevoerd. Japanse bedrijven ontkomen er niet aan om mensen te ontslaan. Daardoor verdwijnt de vertrouwensband tussen werkgever en employ‚ en komt het gezag van de directie ter discussie te staan’, meent Kato. ‘Zo’n bijeenkomst als vandaag in de tempel verliest dan al snel zijn betekenis.’

Kato’s vrouw Seiko, de oudste zus van Jotaro uit de Kojima-familie, loopt tijdens het avondeten steeds op en neer naar de keuken. Ze mengt zich alleen in het gesprek als haar rechtstreeks iets gevraagd wordt. Toch is ze de baas in huis, zo vertelt haar man met een trotse lach. Als zoveel getrouwde vrouwen in Japan beheert ze het geld van de familie en ze vult ook de belastingformulieren van haar man in. ‘Hij heeft geen idee hoeveel hij betaalt’, zegt ze.

Seiko (50) heeft na haar studie nooit gewerkt. Ze besteedde al haar tijd aan de opvoeding van de twee kinderen en aan haar hobby’s, toneel en literatuur. Als haar man een dag later al vroeg vertrokken is naar de golfbaan voor een afspraak met zakenrelaties, toont ze in kimono een serie poses uit het Noh-theater. Seiko doet aan Noh, omdat ze de oude tradities in ere wil houden. ‘De stukken zijn meestal eeuwenoud. De acteurs kijken er nu anders tegenaan, maar in de vorm is veel hetzelfde gebleven. Elke acteur kijkt voor zijn optreden langdurig naar zijn masker, opdat hij met lichaam en ziel het personage wordt dat hij moet uitbeelden. Pas dan zet hij het masker op.’

Aandelenkoersen

Niet iedereen uit Jotaro’s generatie is even blij met de veranderingen in Japan. In een dorp als Hanbara liggen de maatschappelijke verhoudingen al sinds mensenheugenis vast. ‘Iedereen was afhankelijk van elkaar en men wist ook alles van elkaar. Daardoor liep iedereen zo bij elkaar naar binnen, bleef mee-eten en sprak men makkelijk over eigen problemen’, vertelt het andere zusje van Jotaro met nostalgie over haar jeugd. Ze woont in een moderne voorstad van Tokio, waar ‘mensen niet verder dan de voordeur komen, ook al nood je ze binnen. De communicatie is minder geworden en het sociale netwerk is in buurten als de onze nagenoeg verdwenen’. Over de oorzaak is de middelste generatie van de Kojima-familie uit Hanbara het met elkaar eens: modern Japan is gefixeerd op geld.

Seiji Kojima, de jongste broer, is tandarts in de luxe winkelbuurt Ginza waar de rijken van Japan paraderen en waar je niemand bent zonder geld. Seiji’s praktijk ligt ingeklemd tussen luxe warenhuizen, effectenkantoren en banken. Hier heerste de afgelopen jaren de op hol geslagen ‘wereld van Peter Stuyvesant’. Tijdens de ‘bubble’, zoals die zeepbel ook in Japan wordt genoemd, leek er geen einde te komen aan de stijging van grond- en aandelenprijzen. Japan baadde in snel verdiende speculatiewinsten. Zelfs met het lidmaatschap van golfclubs werd gespeculeerd en de prijzen van zo’n lidmaatschap konden oplopen tot boven een miljoen gulden. Tot in 1990 de aandelenkoersen ineenstortten. Sindsdien wil de recessie maar niet wijken.

Wandelend over de Ginza vertelt Seiji Kojima over de luxe bars waar de hostesses het Japans Economisch Dagblad lazen om ‘s avonds met hun gasten over de stijgende aandelenkoersen te kunnen praten. Maar die gasten zijn nu spoorloos verdwenen. De klanten die nog over zijn willen de oude prijzen niet meer betalen en voor de gezelschapsdames is het niet meer de moeite waard elke dag zulk ‘huiswerk’ te verrichten. In de krant zijn ook nauwelijks meer berichten te vinden over spectaculaire winsten, het gaat nu over faillissementen en herstructureringen.

Ondanks de recessie hebben de Japanners kennelijk nog genoeg geld om de luxe warenhuizen en modezaken op de Ginza in leven te houden. Tandarts Seiji Kojima past in deze luxe wereld. Hij verzamelt werk van jonge, onbekende kunstenaars dat hij nu en dan op eigen kosten in een galerie exposeert. Maar al gaat het Seiji financieel voor de wind, hij is niet gerust op de huidige ontwikkelingen. In zijn piepkleine praktijk-kantoor toont hij zijn respect voor de generatie van zijn ouders. ‘Ik zie mijn ouders als pure Japanners. Zij weten nog wat zelfopoffering betekent.’ Seiji hoorde pas vorig jaar hoe zwaar zijn moeder het had gehad, nadat ze was getrouwd. Hij schreef haar toen dat hij ‘s nachts voor het slapen gaan zijn tranen niet kon bedwingen, als hij aan haar leven dacht. ‘Echte Japanners, zoals mijn moeder, vind je alleen nog op het platteland.’

Veel van het Japanse cultuurgoed is volgens Seiji sinds de oorlog verdwenen, doordat Japan zich collectief op economisch herstel richtte. ‘Maar toen de zeepbel uiteenspatte, was Japan in één klap zijn identiteit kwijt. In de oude klassenmaatschappij was dan wel geen sprake van sociale mobiliteit, maar dankzij die vaststaande klassen ontbrak ook de huidige race om het geld. Mensen waren trots op het vak dat generaties lang door hun familie was uitgeoefend.’

‘s Avonds laat vertelt Seiji gepassioneerd over de ‘weg van de thee’, de traditionele theeceremonie, sado. We zijn de enige gasten aan de bar van een minuscuul eethuisje waar hij na zijn werk vaak gaat eten. De uitbaatster staat alleen achter de bar waar hooguit plaats is voor een man of acht. In haar vrije tijd speelt ze klassieke Japanse liederen op de driesnarige samisen. Een paar keer per jaar geeft haar groep concerten in een van de grote theaters van Tokio.

De ‘weg van de thee’, de ‘weg van het penseel’ of, een tikje macaberder ‘de weg van het zwaard’, met deze tradities proberen mensen als Seiji de oude waarden vast te houden. Maar zijn kinderen kijken een andere kant op. Zijn dochter doet dit jaar toelatingsexamen voor een conservatorium met als specialisatie het klassieke Europese lied. Ook zijn zoon zingt klassiek Europees. En gaat naar een katholieke middelbare school.