Wangedrocht van culturele diversiteit

Volgende donderdag mag de Nederlandse kiezer weer naar de stembus: voor het Europese Parlement. Of meer dan een derde van het electoraat zich daartoe geroepen voelt, is de vraag. Dat heeft niet alleen te maken met het gedrag van de volksvertegenwoordigers in dit parlement dat geen parlement is, maar ook met de Europese eenwording zelf. Economisch is dat project succesvol, maar politiek heeft Europa al bijna een eeuw geen greep meer op het eigen lot.

Hoe komt het toch dat het Europese Parlement (EP) niet serieus wordt genomen? Joep Dohmen laat er in Europese idealisten. Een chronique scandaleuse van het Europese Parlement geen misverstand over bestaan dat de leden van deze volksvertegenwoordiging dit gebrek aan respect voor een goed deel aan zichzelf hebben te wijten. In zijn boek doet hij verslag van de dagelijkse gang van zaken in deze hof van de Europese democratie. Hij heeft interviews afgenomen en openbare bronnen geraadpleegd. De meest interessante gegevens heeft hij opgediept uit archiefstukken die hij kon inzien dankzij de bereidwillige medewerking van Europese ambtenaren die verontwaardigd waren over wat zij om zich heen zagen gebeuren. Het resultaat is onderzoeksjournalistiek van hoog niveau en van grote ernst. Het is dan ook jammer dat de uitgever gezwicht is voor de verleiding op de kaft van dit boek teksten af te drukken (`vraag niet hoe het kan, profiteer ervan') die de indruk wekken van zucht naar sensatie.

Dohmen presenteert een deprimerende catalogus van misstanden en plichtsverzuim. De meeste EP-leden gedragen zich als duitendieven. Slechts ruim een derde deel van de 626 Europarlementariërs valt volgens de schatting van Dohmen buiten deze categorie. Behalve hun schadeloosstelling, die gelijk is aan het salaris dat parlementsleden in hun land van herkomst ontvangen (in Nederland bruto ongeveer honderdvijftigduizend gulden), kunnen de leden van het EP ook aanspraak maken op een rijk geschakeerde onkostenvergoeding. Dankzij veelvuldig misbruik loopt die gemiddeld op tot ongeveer honderdtwintigduizend gulden (belastingvrij), zodat deze volksvertegenwoordigers jaarlijks netto een slordige twee ton binnenslepen.

Om deze karige bezoldiging aan te vullen houdt menigeen er tenminste één goedbetaalde bijbaan op na. Het aanvullende comfort bestaat uit een eigen EP-drankvoorziening en aparte douche op de werkkamer. Ook is er een meer dan riante pensioenregeling, waarvan de premies betaald worden uit het EP-budget (dat wil zeggen uit belastinggelden) en een secretariaatsvergoeding van tweehonderdvijftigduizend gulden per jaar die door menig parlementslid wordt uitgekeerd aan een noodlijdend familielid in ruste. Gelukkig bevat het boek van Dohmen de geruststellende mededeling dat de dochter van CDA-fractieleidster Maij-Weggen wel degelijk goede arbeidswaar levert voor haar geld.

Vooral de reis-, verblijfs- en aanwezigheidsvergoeding is een welkome bron van schraapzucht. Enkele jaren geleden zond het Engelse televisiestation ITV een documentaire uit (Fat Cats) die aantoonde dat veel EP-leden op vrijdag nog even de presentielijst tekenen voordat ze spoorslags naar huis reizen. Mevrouw d'Ancona, die de leiding heeft van de PvdA-fractie in het EP, verscheen vol verontwaardiging voor de Nederlandse televisie: `Ik kan niet geloven dat dit gebeurt...' Uit het boek van Dohmen blijkt dat zij zichzelf geregeld schuldig heeft gemaakt aan deze praktijk en dat haar zoon van de PvdA opdrachten heeft gekregen die die zijn betaald uit het fractiefonds.

Geld teveel

Leden die blijk geven van bezorgdheid over de gevolgen van dit gedrag voor de reputatie van het Europese Parlement hebben het niet gemakkelijk. Als ze al niet als dorpsgekken worden verketterd, stuiten hun hervormingsvoorstellen op onwil en onbegrip. De eis om voor het incasseren van een reisvergoeding een instapkaart te tonen, als bewijs dat men inderdaad in het vliegtuig heeft gezeten, wordt in Straatsburg als een schandelijke aantasting van de privacy beschouwd. Ook de jongste poging om de salaris- en onkostenvergoeding minder gevoelig voor misbruik te maken, is enkele weken geleden afgestemd. De druk van het partijpolitieke thuisfront om orde op zaken te stellen is niet al te groot, want ook hier profiteert men mee. De EP-fracties ontvangen voor de financiering van hun werkzaamheden bedragen die te hoog zijn om op te kunnen maken. Om in dit probleem te voorzien worden jaarlijks in totaal tientallen miljoenen guldens doorgesluisd naar dankbare partijorganisaties in het land van herkomst.

Het Europese Parlement kampt met een unieke kwaal: het heeft geld te veel. Elk jaar verhoogt het zijn eigen begroting en niemand die er iets van kan zeggen. Met de Raad van Ministers, het hoogste besluitvormende orgaan in de Europese Unie, bestaat de afspraak dat men zich niet met elkaars budget bemoeit. Terwijl de regeringsleiders afgelopen maart ruzie maakten over de nettobijdragen van de lidstaten, bleef het EP buiten schot. De verklaring voor deze absurde gang van zaken is te vinden in het meest veelzeggende citaat dat het boek van Dohmen bevat. Het is afkomstig van een Frans EP-lid die, op de vraag of het niet wat minder kon, antwoordde: zonder deze vergoedingen komt er niemand meer. Klinkende munt is in Straatsburg een zoethouder, een surrogaat voor de macht die het Europese Parlement niet heeft.

Aanwezigheid is in Straatsburg een probleem doordat veel EP-leden hun bijdrage aan de publieke zaak niet serieus nemen. Eerlijk gezegd hebben ze daar goede redenen voor, want dit parlement mist de rechten die een parlement tot een parlement maken. In de verdragen van Maastricht (1991) en Amsterdam (1997) heeft het er enkele bevoegdheden bijgekregen, zoals het medebeslissingsrecht in met name consumenten- en milieuzaken. De belangrijkste kwesties van Europese politiek, zoals die van interne en externe veiligheid, blijven buiten deze competentie.

Veel belangrijker nog is dat deze volksvertegenwoordiging, die in 1952 werd opgericht als algemene vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, ook na bijna een halve eeuw het meest essentiële parlementaire machtsmiddel mist: de mogelijkheid om de regering weg te sturen. Die regering is er niet op Europees niveau en dus kan zij ook niet ontslagen worden. Veel kabaal is er gemaakt over de mogelijkheid die het EP heeft gekregen om de Europese Commissie weg te sturen. In maart is de Commissie-Santer na kritiek uit het EP afgetreden en het parlement moet de samenstelling van een nieuwe Europese Commissie goedkeuren. Maar de leden van die commissie doen niets anders dan de Raad van Ministers adviseren en haar besluiten uitvoeren. De macht in Europa zit bij deze ministers. Hun lot ligt niet in handen van het EP, maar van hun eigen nationale parlementen.

Papierproducent

Er is geen Europese regering omdat, zo schrijft Dohmen terecht, er geen Europese samenleving en al helemaal geen Europees gevoel is. Men voelt zich Nederlander, Fransman of Griek. Maar wat is de identiteit van een Europeaan? Er is geen Europees volk en dus ook geen Europese volksvertegenwoordiging die deze naam verdient. Bij de laatste verkiezingen voor het EP, vijf jaar geleden, nam 35 procent van de Nederlanders de moeite om te gaan stemmen. Het zou verbazing wekken als dat percentage op 10 juni hoger ligt.

Voorzover de Europese integratie een succes kan worden genoemd, is dat een kwestie van markt en geld, kortom van economie. Maar de al sinds een halve eeuw gekoesterde verwachting dat economische samenwerking tot een steeds hechtere politieke unie met een gemeenschappelijke bestemming zou leiden, blijkt tot nu toe een illusie. De kans op een snelle keer ten goede is klein. In het verdrag van Maastricht ging de doelstelling van een Economische en Monetaire Unie (EMU) samen met die van een Europese Politieke Unie (EPU), die vooral gestalte zou moeten krijgen in een gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidspolitiek. Acht jaar later heeft het eerste project een succesvolle start gemaakt, maar het tweede zit in het slop. De lidstaten, zo constateert Dohmen terecht, willen niet nog meer van hun soevereiniteit verliezen. De afkeer van het Europese centrum in Brussel, de producent van 18.000 bladzijden aan regelgeving (de `acquis communautaire'), groeit.

Europa moet uithijgen van de inspanning die de vorming van de EMU heeft gevergd. Bovendien is de monetaire unie onderdeel van een ontwikkeling naar één gemondialiseerde vrije markt die door zijn uniformerende werking tegenreacties oproept in het verlangen de eigen identiteit te beklemtonen. De nationale soevereiniteit is een houvast in een voor velen te snel veranderende omgeving. De EU-lidstaten zijn nauwelijks bereid offers te brengen voor progressie in de politieke samenwerking, maar willen consolidatie, zoals bleek uit de laatste conferentie van regeringsleiders die in maart in Duitsland is gehouden. Dit gastland leek uitsluitend geïnteresseerd in de beperking van zijn eigen netto bijdrage aan het Brusselse budget. Het nationale egoïsme van Frankrijk zorgde voor een blokkade van een hervorming in de landbouwpolitiek die nodig is om de Centraal-Europese naties toe te kunnen laten tot de EU. Wat kan tegen die achtergrond de betekenis zijn van het stabiliteitspact voor de Balkan, dat nu door de EU-ministers van Buitenlandse Zaken op de agenda is gezet?

Angsten

Europa heeft geen gezag naar binnen, uitgeoefend door een Europese regering en een Europese volksvertegenwoordiging, maar mist ook gezag naar buiten, in de vorm van een gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidspolitiek. Het gebrek aan vorderingen op dit laatste terrein kan volgens de Franse politicoloog Philippe Delmas een groot gevaar worden voor de verhouding tussen Frankrijk en Duitsland, de twee naties die de afgelopen vijftig jaar in onderlinge samenwerking verantwoordelijk zijn geweest voor elke belangrijke vooruitgang in de Europese samenwerking. De provocerende titel van zijn boek, De la prochaine guerre avec l'Allemagne, verwijst naar de vaak gewraakte uitspraak van Helmut Kohl dat de integratie bepalend zal zijn voor de kwestie van oorlog en vrede in het Europa van de toekomst. Delmas is het hardgrondig eens met deze woorden. Hij is van mening dat de band tussen dit Duitsland en Frankrijk geen vanzelfsprekendheid is. Het is een constructie die voortdurend gecultiveerd moet worden om te voorkomen dat het onderlinge wantrouwen weer wordt gevoed door de nog altijd levende herinneringen aan de drie oorlogen die Fransen en Duitsers sinds 1870 met elkaar hebben gevoerd. Als deze twee naties politiek te los van elkaar opereren, aldus Delmas, kunnen ze gemakkelijk weer tegenover elkaar komen te staan.

Hij meent dat sinds de Duitse eenwording van 1990 in Frankrijk de angst voor Duitsland is teruggekeerd, al wordt die vrees zelden hardop uitgesproken. Niet het gedrag van de Duitse regering is de oorzaak van die ontwikkeling, maar het gegroeide gewicht van een natie die zelf hoogst onzeker is over deze gang van zaken. Duitsland, zo waarschuwt Delmas, is als nieuwe eenheidsstaat een stuurloze kolos geworden, in de ban van schuldgevoelens over de nazi-tijd, op de vlucht voor de consequenties van zijn gegroeide macht en op zoek naar zijn identiteit. De EMU betekent voor de Duitsers een complicatie door het verlies van de D-Mark, die voor de Bondsrepubliek een symbool van succes en stabiliteit was. Voor de Fransen is geld niet meer dan een ruilobject, voor de Duitsers is het een `affaire de coeur' die het inruilen van de mark voor de euro tot een moeilijk te verwerken operatie maakt.

Maar ook Frankrijk is volgens Delmas aan het einde van de twintigste eeuw een politiek probleemkind, niet alleen vanwege de vrees dat het door de Duitse eenheidsstaat zal worden overvleugeld. De mondialisering leidt tot een verlies aan zelfstandigheid dat voor de Fransen, die altijd in de ban zijn van hun soevereine plaats in de rangorde van de wereldpolitiek, nog pijnlijker is dan voor andere volkeren. De identiteitscrisis waarin beide naties verkeren is volgens Delmas alleen te overwinnen door een politieke sprong voorwaarts die moet leiden tot de vorming van een gemeenschappelijk machtsblok.

In een hecht politiek samenwerkingsverband kan de Franse regering met haar `culture de puissance' volgens Delmas richting geven aan de buitenlandse politiek van een Duitse natie die hunkert naar een vaste koers. Dit pact zou Frankrijk de mogelijkheid bieden op mondiaal niveau de prominente rol te spelen die het altijd heeft geambieerd. Delmas is niet naïef en beseft hoe groot de obstakels zijn om dit gemeenschappelijke project van de grond te krijgen. Frankrijk heeft de ambitie van Europa een macht te maken die met de Verenigde Staten kan concurreren, economisch maar vooral ook politiek. Medewerking aan deze koers zou voor de Duitsers betekenen dat zij na hun binnenlandse anker van de D-Mark ook hun belangrijkste buitenlandse anker, de band met de VS, zouden kunnen verliezen. De Duitse regering heeft al grote problemen met het Franse verlangen om de euro in te zetten als internationale concurrent van de dollar.

Hulpeloos

De veiligheidssamenwerking met Washington op het spel zetten ten gunste van een hechte unie met de overambitieuze Fransen, dat lijkt te veel gevraagd. Delmas wil terug naar het Elysée-verdrag van 1963, waarin Adenauer en De Gaulle hun plannen voor een defensiepact ontvouwden. Maar die overeenkomst werd door een pro-Atlantische interventie van de Bondsdag van haar betekenis ontdaan. Bijna veertig jaar later lijken de Duitse bedenkingen tegen de Franse veiligheidsplannen er niet kleiner op geworden. Alle Franse initiatieven om een Europese `defensie-identiteit' van de grond te krijgen zijn gedurende de afgelopen tien jaar in Bonn met beleefdheid ontvangen, maar vooral gebruikt om Frankrijk hechter aan de NAVO te binden. Die Duitse opzet heeft succes gehad, zoals blijkt uit de medewerking die de Franse strijdkrachten op dit moment geven aan de militaire operatie van het bondgenootschap tegen Servië.

Deze actie kan de Duitsers alleen maar sterken in hun overtuiging dat de Verenigde Staten voor de Europese stabiliteit en veiligheid nog altijd een onmisbare rol vervullen. Niet alleen levert Washington tachtig procent van de vliegtuigen. Zonder de Amerikaanse leiding was er waarschijnlijk geen interventie geweest en zouden de Europese lidstaten, net als begin jaren '90 in Bosnië, in verdeeldheid en hulpeloosheid hebben moeten toezien hoe de Servische strijdkrachten hun destructieve werk doen. Daarmee is tegelijk aangegeven hoezeer deze inmenging een betekenis heeft die zich tot ver over de grenzen van de Balkan uitstrekt. Succes of mislukking zal ook bepalend zijn voor de rol die de NAVO als politiek bindmiddel tussen de lidstaten kan blijven spelen. Ook de verhouding tussen Frankrijk en Duitsland lijkt voor de toekomst meer gebaat bij een solide Atlantische overkapping dan een ongewisse politieke unie tussen twee staten die uiteenlopende opvattingen koesteren over de bestemming van Europa.

Delmas schrijft dat een politiek onvolwassen Europa gedoemd is tot interne onrust. De Europese geschiedenis van deze eeuw laat eerder zien dat de stabiliteit op dit continent afhankelijk is geworden van de Amerikaanse bereidheid toezicht te houden en indien nodig orde op zaken te stellen. De interventies in Bosnië en Kosovo sluiten aan bij de inmenging waarmee de Amerikanen in 1917/18 een einde maakten aan de Eerste Wereldoorlog. Vervolgens namen de Verenigde Staten een beslissend aandeel in de overwinning op Hitler en boden ze tijdens de Koude Oorlog effectief verzet aan de Sovjetexpansie.

In de vorige eeuw was het `concert' van grote Europese mogendheden nog redelijk succesvol in de bestrijding van wanorde, op de Balkan en elders. Maar sinds 1914, toen deze staten onderling slaags raakten, heeft Europa de politieke greep op zijn eigen lot verloren. De afgelopen vijftig jaar is in de economisch samenwerking veel bereikt, maar als gezamenlijk politiek project stuit Europa telkens weer op de grenzen van de nationale verscheidenheid. Die diversiteit is de bron van culturele rijkdom, maar ook van taaie tegenstellingen die een zelfstandige veiligheidspolitiek tot een luchtkasteel en een gemeenschappelijk parlement tot een wangedrocht maken.

Joep Dohmen: Europese idealisten. Een chronique scandaleuse van het Europese Parlement.

SUN, 251 blz. ƒ34,50

Philippe Delmas: De la prochaine guerre avec l'Allemagne.

Ed. Odile Jacob, 205 blz. ƒ50,60