Strategisch talent van bazen en arbeiders

Plotseling stond Jan Torck temidden van de onderofficieren. Het leek erop dat hij Dossche wilde bevrijden. Een onderluitenant greep hem vast, Torck stribbelde tegen, enkele militairen sloegen hem met de kolf van hun geweren. De onderluitenant raakte gewond door een sabelhouw van een opgewonden collega en Torck wist te ontsnappen.

Dit is geen tekst van een Vlaamse Emile Zola, maar een fragment uit een monografie van de Belgische historica Gita Deneckere over een oproer in de Gentse katoenindustrie in 1839. Ze kent de Belgische arbeidersstrijd. In 1997 schreef Deneckere met Sire, het volk mort een standaardwerk. Het katoenoproer van Gent is het min of meer verhalende en analytische vervolg. Deneckere heeft socialistische wortels. Maar zij verwerpt de opvatting in de rood gekleurde geschiedschrijving dat de strijd van het arbeidersvolk pas ruggegraat kreeg dankzij de structuren en de ideologie van het socialisme. In Gent, is de kern van haar betoog, waren de textielarbeiders al in 1839 stevig georganiseerd. Ze waren daardoor tot actie in staat zonder marxistische woordenschat en wisten een bescheiden succes te behalen.

De Gentse actie van 1839 duurde zes dagen. Aanleiding was de crisis in de katoenindustrie. Die had in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden van Willem I betere tijden gekend. Toen was er tenminste de uitvoer geweest van ruwe katoen. Nu was de textielnijverheid overgeleverd aan het idealistische liberalisme van de nieuwe Belgische Staat, terwijl overal, vooral in Engeland, een of andere vorm van verhuld mercantilisme bestond.

In die crisisdagen ontplooide de Gentse vergadering van meesterknechten een ongemeen strategisch talent. Toen de onvrede bij de onderste lagen van de arbeiderspiramide dreigende vormen aannam, haalde zij met een betoging in het stadscentrum de druk van de ketel. In het besef dat anonimiteit geweld in de hand werkt, liet zij de arbeiders optrekken in duidelijk onderscheiden groepjes, per fabriek en met één meesterknecht aan het hoofd van zijn arbeiders. Op het stadhuis verdedigde zij het standpunt van de spinners in een beschaafd en intelligent gesprek met de burgemeester. Beide partijen waren uiterst tevreden.

Achteraf liep het nogal uit de hand. Maar volgens Deneckere was dat een beslissend element. Juist die combinatie – een meerderheid van ijverige arbeiders die begrip verdienden, en de schrik voor het grauw dat de stad onveilig maakte – inspireerde de nationale overheid tot actie: de oprichting enkele maanden later van de Banque de l'Industrie. Die ging heimelijk een Antwerpse bank spekken die katoen moest afnemen dat niet op de binnenlandse markt verkocht mocht worden. Ongeveer gelijktijdig verbood het parlement de uitvoer van graan. Op die manier kon de prijs van het brood omlaag. Beide maatregelen beantwoordden aan de eisen van de spinners.

Aldus de interpretatie van Deneckere. Naar mijn gevoel negeert zij daarmee de invloed van de fabrikanten op de politieke wereld. De genomen maatregelen waren namelijk ook in hun belang. Het verbod op de uitvoer van graan betekende dat zelfs de machtige grondbezitterslobby gepasseerd werd. Hier leed het ancien régime een nieuwe nederlaag tegen de moderniteit. Maar dat een autonoom arbeidersprotest de besluitvorming heeft beïnvloed, toont ze wel aan.

Volgens Deneckere heeft de miskenning van pre-socialistische vormen van oproer in de industrie te maken met de gangbare studiemethodes. De geschiedenis van de kleine lieden wordt meestal weergegeven in getallen en collectieve uitspraken. Die werkwijze oogt objectief en wetenschappelijk, zegt Deneckere. Maar deze geschiedschrijving vertrekt van een onbewezen uitgangspunt: de protesterende groep wordt tot telkens dezelfde monoliet herleid en de protesten zelf tot elkaars kopieën en massapsychologie die slechts wordt gestuurd door honger en gebrek aan verstand. Den–eckere daarentegen gelooft in de specificiteit van elk geval en de rol van individuen. Zij pleit daarom voor het verhaal, voor de lezing van de geschiedschrijver. Het katoenoproer van Gent toont de mogelijkheden daartoe.

Het is bijzonder goed gedocumenteerd, onder meer met de verslagen en aanbevelingen van een geheime agent van de Staatsveiligheid. En het is precies het verhaal van de evenwichtsoefening van dag tot dag. Enerzijds ontneemt ze de sociale strijd haar mythische grootheid. Anderzijds schenkt ze de massa's het recht op een genuanceerde analyse, waarin zich doorgaans alleen elites en leidende figuren mogen verheugen.

Gita Deneckere: Het katoenoproer van Gent in 1839. Collectieve actie en sociale geschiedenis. SUN, 150 blz. ƒ29,50