Smokkelwaar uit het paradijs

Radicaal en poëtisch. Dat is Daan van Golden, de `lefgozerige kunstenaar' die volgende week Nederland vertegenwoordigt op de Biennale.

Praatprogramma's of pretshows - je zal er de schilder Daan van Golden niet tegenkomen. Hij houdt zich koest in Schiedam, in een wit en keurig atelier. Een interview over zijn tentoonstelling – vanaf volgende week in het Nederlands Rietveld-paviljoen op de 48ste Biennale van Venetië – heeft hij drie, vier keer overwogen, maar uiteindelijk afgewezen. Het zou zijn werk verstoren en zijn nachtrust opeisen. Het nu zo populaire nomadische kunstenaarsbestaan, van de ene `show' naar de volgende luchthaven, moet hem net zo vreemd zijn als de stress van de beursspeculant. Maanden kan hij aan een enkel schilderij werken. `Kunst is geen wedstrijd', zoals hij ooit A. Roland Holst citeerde.

Karel Schampers, conservator van Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, liet als Biennale-coordinator meteen al zijn keuze op Daan van Golden (1936) vallen. Een schilder van technisch knappe, sobere doeken, die schijnbaar weinig met elkaar delen, maar die leven en werk tot een natuurlijke én avontuurlijke eenheid hebben samengesmeed. Behalve die esthetische, onberispelijk gladde schilderijen van niet noemenswaardige dingen, maakte hij reeksen collages uit tijdschrift-illustraties van bijvoorbeeld de jonge Brigitte Bardot (nu te zien in het Stedelijk Museum Schiedam), zeefdrukken, zoals die van een blauwe Mick Jagger, en foto's van onder anderen zijn dochter, die hij vanaf haar geboorte in 1978 al twintig jaar lang her en der op de wereld met innigheid heeft geportretteerd. Hoe uitgekiend hij die verschillende media toepast, blijkt uit het doek Fats Domino: je weet niet beter of het raster duidt op een uitvergrote foto van de jazzman. Mis! Van Golden gebruikte verf en gaf daarom juist dit portret meer allure dan al die nostalgische Bardot-plaatjes bij elkaar.

,,De jongere Nederlandse kunst floreert in het buitenland. Kijk naar Joep van Lieshout, Marlene Dumas, Inez van Lamsweerde, Marijke van Warmerdam en Rineke Dijkstra'', vertelt Schampers. ,,Maar het was Daan die uiteindelijk deze presentatie in Venetië verdiende. Ik geloof heilig in zijn werk en ik verbaas me er nog over dat hij niet eerder op zo'n internationale manifestatie is gebracht. Hijzelf vraagt niet om gezien te worden. Net als René Daniels is hij ook nauwelijks verzameld in het buitenland.''

De keuze wordt in de kunstwereld toegejuicht, iedereen gunt het Van Golden, aldus Schampers in Museum Boijmans, vanwaar net een lichtblauwe vrachtwagen, vol doeken en catalogi, richting Venetië afreist. ,,Ook jonge, buitenlandse Boijmans-exposanten, die hier wel eens een schilderij van hem tegenkomen, hebben vaak naar hem geïnformeerd: `wie is die kunstenaar, hoe doet ie dat toch?' Er hangt magie om Daan heen, een magie in de geconcentreerde aandacht die uit zijn werk spreekt.''

Of het nu de Biennale-catalogus is, de inrichting van een paar vitrines daar of het ontwerp voor de uitnodiging, Van Golden nam de afgelopen maanden ruimschoots de tijd voor zijn eigen, associatieve vormgeving. Zo zal de kleurenlogica in de volgorde van zijn schilderijenreprodukties en het beeldrijm, verwerkt in de foto-opnamen van zijn dochter, zich in de catalogus alleen prijsgeven aan de aandachtige kijker. Is die eigengereidheid niet lastig voor een verantwoordelijke conservator? ,,Daar heb ik geen problemen mee'', zegt Schampers, ,,ik heb een dienende functie. Alles draait om de kunstenaar en niet om een conservator.''

Er hangen in Venetië straks zo'n twintig schilderijen: vanaf de vroege textiel- en behangpatronen via het doek Sex Pistols, 1979, tot zijn recente Jackson Pollock-studies. Van Golden ontdekte in een zwarte drip-painting op een Pollock-poster volstrekt onbedoelde figuren die nu, uitvergroot en minutieus in lakverf geschilderd, weinig vertellen over `Jack the Dripper', maar des te meer over het fenomeen `eyeopener', over het kunnen kijken naar dat wat de kunstenaar `toevalt'.

De catalogus, met een lang biografisch essay van de Amsterdamse hoogleraar Carel Blotkamp, die ook kunsthistorische verbanden met Mondriaan, Yves Klein en Sigmar Polke aan de orde stelt, zal verpakt gaan in een papieren draagtas, bedrukt met een foto. Of dat belangrijk is? Jazeker, als wandelende reclame, zoals vele landenpaviljoens al veel eerder bedachten. Als de vele honderden critici en `officials' tijdens de eerste Biennale-dagen hun catalogi meesjouwen, wemelt het onder het lover van de Giardini van de wit-paarse viooltjes, die elkaar vanaf die draagtassen nieuwsgierig in de gaten houden. Het was Van Golden die in New Delhi ontdekte dat sommige violen verkouden kleuterkopjes hebben. Een ontdekking van niet al te grote proporties, maar net zoals menig ander werk van Van Golden, blijft zo'n beeld voor altijd met je eigen viool-observaties verbonden.

Zen-boeddhist

Daan van Golden heeft het doorleefde uiterlijk van een zeerot, de schijnbaar fletse leefwijze van een burgerman en de ontvankelijke blik van een zen-boeddhist. Zijn dochter is de enige rijkdom die hem kwetsbaar maakt, zei hij eens. Hij leefde in Londen en Japan, hij reisde naar India en Marokko en kent de weg in New York of Barcelona. `Leven vind ik belangrijker dan schilderen', zei hij ooit. Daarom hoefde hij niet zo nodig carrière te maken. En dankzij die afwezige geldingsdrang kon hij altijd in figuurlijke zin in zijn eigen voortuin blijven spitten, dichtbij datgene wat zo opvallend gewoon is en waar iemand met driftige doelstellingen aan voorbij rent.

Wat begon met woeste, zwart-witte schilderijen, is door een lang verblijf in Japan, begin jaren zestig, tot rust gekomen in het bij wijze van meditatie afbeelden van doordeweekse zakdoeken, truttige stofpatronen en eentonig bedrukt verpakkingspapier. Lijntje voor lijntje zette hij in de nuances van een enkele primaire kleur, die vertrouwde, geometrische patronen op het linnen. Hij deed dat zó gaaf en geduldig, dat die zakdoekpatronen – hoe Hema-achtig ook – eenmaal geschilderd de ernst kregen van een mantra, maar dan zonder de pretentie van heiligheid. En wat dat bloemetjesbehang betreft: dankzij de liefdevolle toewijding van de schilder leek zo'n fragment ineens uit het paradijs gesmokkeld.

Woest, geometrisch, tuttig: dergelijke kwalificaties moeten Van Golden niet prettig in de oren klinken. Een snel en bondig oordeel of een vooringenomen zienswijze leidt tot blikvernauwing. En dat is wel het laatste wat hij wil: zijn werk bewijst dat er op het beeldend vlak nagenoeg niets kan worden buitengesloten. Op de foto van een Griekse tempel ontdekt hij bijvoorbeeld tussen de Dorische zuilen, toegedekt met een architraaf, rafelige ruimtes, gevormd door de deels versleten bouwstenen. Hij kijkt nog eens en nóg eens, en jawel: hij ziet het goed, die tussenruimtes vormen steeds de gestalte van een en dezelfde statige vogel. En is zo'n vogel in enkelvoud eenmaal in verf afgebeeld, dan blijkt dat een leegte een monument kan zijn.

Deze luchtige toegift van de Griekse goden is niets anders geweest dan de observatie van een doelloze scherpschutter. Menigeen zal beeldassociaties, zoals die tempel, ook af en toe ervaren, maar die gedachten dan net zo snel weer doorspoelen. Van Golden koestert dat wat zich zonder opzien in zijn blikveld ophoudt. Hij wikt en weegt, beraadt zich op de `zwaartekracht' ervan, scherpt het aan en eigent het zich dan toe met de kieskeurigheid van iemand die nooit meer dan een meter boeken wil bezitten. `Ik wil graag dat het wonderbaarlijke overblijft; de ontmoeting met de engel', zoals geciteerd in het Rotterdamse, literair-culturele tijdschrift Transito, dat dit keer grotendeels aan de Biennale-kunstenaar is gewijd. Die ontmoetingen zijn redelijk zeldzaam, dus het schilderkunstig oeuvre is niet al te groot.

Opgegroeid met het werk van Daan van Golden, van wie dankzij de Beeldende Kunstenaars-Regeling veel schilderijen, collages en foto's in Museum Boijmans terecht zijn gekomen, herinner ik me vooral de kennismaking met de hemelsblauwe parkiet, afgeleid van een Matisse-knipsel. Kwantitatief was die blauwe vlek te verwaarlozen, want op het grote witte linnen stond alleen het ingekleurde contour van een verticale parkietenvleugel afgebeeld. En het was nog een monochroom parkietje ook. Maar tóch: ineens was daar het zelfverwijt nooit aandachtig naar zo'n vleugelkleur te hebben gekeken, en was daar ook de sympathie voor de lefgozerige kunstenaar die zich tot dat ene gegeven in dat lege, witte, linnen luchtruim beperkte. Net als in de liefde, kon de waardering voor Matisse met weinig volstaan.

Ook Schampers houdt van die radicaliteit. Hij wijst de foto's aan van tentoonstellingen in Kassel en Antwerpen, toen Van Golden grote en kleine werken, hoog en laag aan de wand hing, koersend op zijn gevoel voor samenhang en dwars tegen het gangbare in; of toen hij op elk van de vier galeriewanden een identiek bloemendoek liet zien. Waarom? `Ach, dat ontstond zo', vertelde hij Schampers. Maar intussen ging Van Golden wel consistent door met het alsmaar weer associatief herschikken van zijn oeuvre, zoals ook nu weer, in Venetië.

Ook radicaal, maar net zo goed poëtisch, was Van Goldens bijdrage aan Century `87. Hij liet de paden van de Hortus Botanicus in Amsterdam met azuurblauw grind toedekken. De Hortus werd een mediterraan meertje met drijvende beplanting. En wie de fotografische bovenaanzichten bekijkt, zal net zo goed kunnen denken aan een Japanse tuin, waarin het grind niet onderdoet voor de lotus.

Misschien is dat een van de geheimen die we aan de magiër Daan van Golden zo graag in een gesprek hadden willen ontfutselen: er is geen hiërarchie in de dingen, geen dogma in de kunst, geen vanzelfsprekendheid in dit leven. `Het kunstenaarschap omvat alles wat je doet', zei hij, `Elke daad moet goed zijn.' Op de vraag hoe men zijn verwondering over de kleine wereld thuis en de grote daarbuiten zo vrij, zo caleidoscopisch en tóch zo consequent vorm kan geven, zou Van Golden ongetwijfeld zwijgend zijn recente meesterwerkje, de Biennale-catalogus, hebben overhandigd.

Biennale van Venetie: van 12/6 tot 7/11. Catalogus: Daan van Golden; the pencil of nature, fl. 55,--. Transito; uitgeverij Koppel, ISSN 90-1387-2486, fl. 19,95. Tentoonstelling: Aloysius Donia; Bad Paint, curator Daan van Golden (ook enkele werken van de curator), tot 18/7, Stedelijk Museum Schiedam, Hoogstraat 112. Open: di. t/m za. 11-17 uur, zo. 12.30-17 uur.

Van Goldens zakdoekpatronen kregen, eenmaal geschilderd, de ernst van een mantra