Pieter Geyl: Geschiedenis van de Nederlandse Stam, 1930/1959

`Waarom heeft de heele pers mijn boek nog niet tot het boek van de eeuw uitgeroepen?', vraagt Geyl aan Gerretson, enkele weken na de verschijning van het eerste deel van zijn Geschiedenis van de Nederlandse Stam. `Ach wat jammer toch', klaagt hij tegen zijn Vlaamse vriend Herman Vos, `dat ikzelf niet alle kritieken op mijn boek schrijven mag. In ernst – wie zou het beter kunnen?' Toch mocht Geyl, toen en later, zeker niet mopperen over gebrek aan belangstelling voor zijn Stam, waarbij fundamentele kritiek op de uitgangspunten vaak gepaard is gegaan met veel waardering voor de uitwerking. Geyls doelstelling was even eenvoudig als ambitieus. Hij wilde de geschiedenis van de Nederlandse taalgemeenschap, Noord en Zuid, in één brede zwaai behandelen vanaf de Franken tot zijn eigen tijd: een historische onderbouwing van de Groot-Nederlandse gedachte, waardoor hij als student gegrepen was en die hem zijn verdere leven niet zou loslaten. Stam stond bij Geyl voor taal en cultuur, niet voor ras; hij wees juist op de vruchtbare vermenging van diverse rassen in de Nederlanden. De scheuring van Noord en Zuid in de zestiende eeuw beschouwde hij als een regelrechte ramp en ook als een onnatuurlijke ontwikkeling, veroorzaakt door militair geweld en tegengeweld.

Als Groot-Nederlands nationalist, wiens activisme overigens niet zover ging dat hij België metterdaad kapot wilde maken, zette Geyl zich af tegen het Klein-Nederlandse respectievelijk belgicistische nationalisme van historici in Nederland en België, die elkaar de hand reikten als het erom ging juist van de tweeheid van de Nederlanden de historische logica te laten zien. In de grote Belgische historicus Henri Pirenne herkende hij een verre na-neef van de Bourgondische hofhistoriografen, met als eigentijds doel het legitimeren van de staat België. De Bourgondische hertogen op hun beurt werden door hem gekapitteld als handlangers van een Frans cultureel imperialisme avant la lettre, druk in de weer met het verbasteren van de Nederlandse stam.

Kritiek op Geyls conceptie is er altijd geweest. Zo vroeg Herman Vos zich al meteen af of hij niet het gevaar liep in dezelfde fout te vervallen als Pirenne, maar dan omgekeerd. Dat de scheuring van de Nederlanden aan het eind van de zestiende eeuw een historisch verkeersongeluk was, is Geyl vaak toegegeven, al wordt hij juist hierin tegenwoordig bestreden door de bezetter van zijn voormalige Londense leerstoel, Jonathan Israel. Geyls toegespitste verklaring voor de feitelijke scheiding – de grote rivieren die als `slagboom' tussen Noord en Zuid zouden hebben gefunctioneerd – is veel minder serieus genomen. Geyl zelf zag evenwel in het tot staan komen van de geallieerde opmars in het najaar van 1944 nog een late bevestiging van zijn gelijk. Ook zijn voornaamste stelling dat de moedertaal bepalend was voor de vormgeving van het vaderland – een gedachte die typerend is voor het overspannen taalnationalisme omstreeks 1900 – heeft veel tegenspraak uitgelokt. Zelfs Vlaamse vrienden vonden dat hij daarmee de Waalse gewesten, die toch ook deel uitmaakten van de Zuidelijke Nederlanden, wel erg te kort deed.

Vanaf de jaren 1920, toen hij in Londen in `ballingschap' was, tot na zijn emeritaat als hoogleraar in Utrecht heeft Geyl aan de Stam gewerkt. `Als ik daar niets aan doe, lijkt het leven zijn zin te verliezen', schreef hij aan Gerretson. Alle goede bedoelingen ten spijt is zijn levenswerk echter onvoltooid gebleven. Na de oorlog werd Geyls aandacht opgeslorpt door allerlei andere bezigheden, waaronder het bestrijden van historische systeembouwers als Jan Romein in Nederland en Toynbee in de rest van de wereld. Nu lijkt Geyls eigen Groot-Nederlandse gedachte ook niet geheel vrij van finalisme. In de praktijk werd zijn loyaliteit aan alles wat Nederlands sprak echter redelijk in toom gehouden door respect voor de feiten en voor de conventies van de historisch-wetenschappelijke bewijsvoering. De Stam laat dan ook vooral zien hoe een op zichzelf discutabel uitgangspunt toch heel wat historiografische winst kan opleveren.

Geyls aandacht voor de taal werkte in die zin verruimend dat hij veel plaats gaf aan de cultuur. Hoewel begiftigd met een scherp politiek inzicht, was politiek voor Geyl, naar eigen zeggen, toch niet het hoogste. Zelf een gemankeerd literator en adept van Albert Verwey, zag hij literatuur als spiegel van de cultuur. Zijn culturele voorkeuren stak hij niet onder stoelen of banken. Het land van Rubens met zijn broeierige, uitheemse atmosfeer moest het in de vroege zeventiende eeuw al afleggen tegen wat het land van Rembrandt zou worden, hoezeer op dat moment ook geteisterd door godsdiensttwisten. In het Noorden `stormt het en waait het, luid en driftig botsten de denkbeelden er op elkaar, alle ontwikkeling wordt er uit strijd geboren, maar wat er groeit, is eigen'. En dat was voor Geyl beslissend.

Ondanks de noodlottige scheuring kon het Zuiden toch nog heel wat voor het Noorden betekenen, en later, zowaar, het Noorden ook voor het Zuiden. Was het niet zo dat het wonder van de Gouden Eeuw in de Nederlandse cultuur en economie zich juist kon voltrekken omdat het Noorden na de scheiding zoveel Zuid-Nederlanders asiel gaf en daarmee de `beste levenssappen' van Vlaanderen en Brabant opzoog? Was het bovendien niet zo dat het Zuiden na de vrede van Münster tot ver in de achttiende eeuw als buffer en barrière in stand werd gehouden door het Noorden. Ter wille van de eigen veiligheid uiteraard, maar wel ten koste van enorme financiële inspanningen die de Republiek zelf uitputten. Uiteraard wist Geyl heel goed dat het hierbij niet ging om het beschermen van de Nederlandse taalgemeenschap maar om de Zuidelijke gewesten, inclusief de Waalse, als stootkussen tussen de Republiek en Frankrijk.

In het laatste deel van de Stam dat de periode na 1751 beschrijft, kwam het accent steeds meer op het Noorden te liggen. Door het nog veel verder wegzakken van het Zuiden werd het zogenaamde `verval' van de Republiek in de achttiende eeuw juist gerelativeerd. Het boek culmineert in een honderden bladzijden lange beschouwing over de Patriottenbeweging en de Bataafse Omwenteling, door Geyl neergezet als een echt-Nederlandse onderneming. Terwijl de Zuidelijke Nederlanden ten slotte worden ingepakt door de Franse revolutie en definitief ten prooi lijken te vallen aan verfransing, voltrekt zich in het Noorden een autochtoon hervormingsproces dat door Geyl uitdrukkelijk als zodanig wordt herkend en gewaardeerd. Compositorisch zou het natuurlijk fraaier zijn geweest als Geyl zijn verhaal ten minste had kunnen vervolgen tot de vereniging van alle Nederlanden in 1814 en de nieuwe `tragedie' van de scheiding in 1830. Nu eindigt de Stam wel heel paradoxaal met een hoogtepunt van Klein-Nederlandse staatsvorming: de vestiging van de eenheidsstaat onder de Staatsregeling van 1798.

Gemeten naar de criteria die Geyl zelf aanlegde, `vormkracht' bijvoorbeeld, een toverwoord uit zijn vocabulaire, kan de Stam gemakkelijk als een mislukking worden afgedaan. Daarmee wordt echter noch het boek noch de schrijver recht gedaan. Achteraf is de Stam misschien het best te typeren als een compendium van Geyls stokpaarden en van zijn kwaliteiten als historicus, met inbegrip van – om het eens op z'n Frans te zeggen – de défauts van die kwaliteiten. Als product van Geyls vlotte, journalistieke stijl laat het boek zich nog steeds goed lezen: niet van kaft tot kaft maar in stukken en brokken, precies zoals hij het geschreven heeft. Het is een weliswaar persoonlijke, maar zeker niet idiosyncratische lezing van (toch vooral) de Nederlandse geschiedenis. En de Stam mag dan een boek à thèse zijn, Geyl was veel te ongedurig en een veel te goed historicus om zich door zijn eigen these op sleeptouw te laten nemen.

Pieter Geyl: Geschiedenis van de Nederlandse Stam. Wereldbibliotheek, 1930-1959.